Lusthof
1. Algemeen: Inleiding
Dit rapport verschijnt als afronding van de 1e fase van het project “Cultuurhistorie als inspirerend onderdeel van de ruimtelijke inrichting” en beschrijft een deel van de ruimtelijke neerslag van de geschiedenis van Bergen.
Het project, dat financieel werd gedragen door de provincie Noord-Holland, is uitgevoerd door het Steunpunt Cultureel Erfgoed Noord-Holland in samenwerking met de gemeente Bergen.
Tijdens het project is op basis van (veelal) bekende cultuurhistorische gegevens een beeld geschetst van de ontwikkeling van het landschap. Landschap wordt in het kader van dit project geïnterpreteerd in de brede zin van het woord, waarin landschap wordt
gezien als alle ruimtelijke onderdelen van een gebied. Hiertoe behoren dan ook niet alleen de landelijke gebieden,
maar ook de stedelijke gebieden
Vervolgens wordt bekeken op welke wijze de bekende cultuurhistorische gegevens onderdeel kunnen worden van de bestemmingsplannen. Hiertoe wordt zitting genomen in de ambtelijke werkgroep die vanuit verschillende disciplines input levert in het bestemmingsplan. Het 1e te vervangen bestemmingsplan is in dit project als casus gebruikt om te tonen, c.q. te ontdekken, op welke wijze cultuurhistorie op een zinvolle wijze tot onderdeel van het bestemmingsplan gemaakt kan worden.
Dit rapport is bedoeld als input voor de afdeling ruimtelijke ordening, die het zal gebruiken voor de ruimtelijke plannen voor de gemeente. Medewerking aan het rapport is geleverd door de Commissie Cultuurhistorische Kwaliteit van de gemeente, die het hebben gelezen en van nuttig commentaar hebben voorzien, en door Fons Kruijer en Anita van Breugel, de ambtenaren cultuurhistorie van de gemeente Bergen, die het uitzetten van het rapport binnen de gemeentelijke organisatie hebben mogelijk gemaakt.
Cultuurhistorische waarden
Het begrip cultuurhistorische waarden is een steeds vaker gehoord begrip in Nederland. Niet altijd wordt daarbij dezelfde definitie gehanteerd. In dit verband wordt met cultuurhistorische waarden bedoeld: de ruimtelijke neerslag van de geschiedenis in het landschap, zowel onder als boven de grond en zowel in het landelijke als in het stedelijke gebied. Hierbij worden 3 onderzoeksdisciplines betrokken, te weten:
De definities van deze vakgebieden zijn opgenomen in de begrippenlijst in de bijlagen van dit rapport.
- De archeologie.
- Historische geografie en
- Historische (steden)bouwkunde.
Leeswijzer
2e hoofdstuk
In het 2e hoofdstuk wordt een chronologische beschrijving van de ontwikkeling van het landschap van Bergen gegeven. Dit hoofdstuk is met name bedoeld als onderlegger voor de gebiedsvisie van de gemeente. In de gebiedsvisie wordt een algemeen ontwikkelingsbeeld voor het grondgebied van de gemeente geschetst en worden meer gedetailleerde (sturende) uitspraken gedaan ten aanzien van het landelijk gebied. Voor de diverse kernen zijn eveneens structuurvisies geschreven. De structuurvisies voor de kernen passen qua beleid in de overkoepelende gebiedsvisie van de gemeente.
3e hoofdstuk
In het 3e hoofdstuk wordt in een beschrijving van de deelgebieden nader ingegaan op de ontwikkelingen in delen van de gemeente. Er is gekozen voor een indeling in 3 gebieden die vooral gebaseerd is op de opbouw van het landschap, maar ook past bij de indeling in bestemmingsplangebieden. Bij het maken van de bestemmingsplannen kunnen deze gebiedsbeschrijvingen als onderlegger dienen. Bij de gebiedsbeschrijvingen zijn aanbevelingen opgenomen over de cultuurhistorische waarden. Deze zijn bedoeld als eerste aanzet voor het betrekken van de cultuurhistorische waarden bij de ruimtelijke ordeningsopgaven en landschappelijke ingrepen. Behalve de beschrijvingen van de geschiedenis zijn ook kaarten ingetekend, die de neerslag van de geschiedenis in het landschap weergeven, de zogenaamde cultuurhistorische waarden. Bij de kaarten hoort een catalogus, waarin een beschrijving is gegeven van de op de kaart aangegeven cultuurhistorische waarden.
Laatste hoofdstuk
Het laatste hoofdstuk van dit rapport bevat een conclusie, waarin ook aanbevelingen zijn opgenomen over lacunes in de kennis over de cultuurhistorische waarden en beleid daarover in de gemeente Bergen. Hoewel een omvangrijk werk is verzet en een rapport is vervaardigd met veel feiten en verbanden, zijn wij ons ervan bewust dat dit slechts het begin is van de vastlegging van de cultuurhistorische waarden in de gemeente Bergen.
Historische verenigingen hebben meer gedetailleerd inzicht in de cultuurhistorische waarden in delen van de gemeente. Bovendien wordt in de loop der tijd steeds meer duidelijk over de geschiedenis. Zo wordt tijdens de eindfase van de vervaardiging van dit rapport een archeologisch onderzoek uitgevoerd over de Vinkenkrocht. Dit onderzoek zal weer meer gegevens aan het licht brengen en wellicht een nieuwe inspiratiebron kunnen vormen voor het omgaan met dit deel van de gemeente Bergen. Ook dit rapport is daarmee een tijdsopname, die in de loop der tijd zal moeten worden aangevuld met nieuwe gegevens en nadere detaillering.
Inoudsopgave
2. Chronologische geschiedenis
2.1. Ontstaansgeschiedenis van de ondergrond
2.2. Sporen van bewoning en akkerbouw in de prehistorie
2.3. Het gebied in de Vroege Middeleeuwen (periode 450-1050)
2.3.1. Wonen, werken en verkeer op de strandwallen
2.3.4. 9e en 10e eeuw: ontginningen in de strandvlakte
Cultuurhistorische elementen en structuren
2.4. De Late Middeleeuwen (periode 1000-1500)
2.4.4. Kastelen en versterkte huizen
2.5. De Nieuwe Tijd (periode 1500-1813)
2.6. De Nieuwste Tijd (periode 1813 tot heden)
2.6.1. Akkerbouw en beplanting in de duinen
2.6.3. Gezonde zeelucht, sanatoria en recreatie
3.1. De binnenduinrand: huis en tuin
3.1.1. Het ‘huis’ Egmond-Binnen
3.1.2. Het huis Egmond aan den Hoef
3.1.3. Het ‘huis’ Schoorl, lint van Aagtdorp tot Camperduin
3.1.4. Het ‘huis’ Bergen, heerlijkheid op de haakwallen
3.1.5. De binnenduinrand als tuin en erf rond de huizen
3.2. De polders, park en landbouwgrond
3.2.1. Strandvlakte, polders ten noorden van Bergen
3.2.2. Droogmakerijen en aandijkingen, polders ten zuiden van Bergen
2. Chronologische geschiedenis
2.1. Ontstaansgeschiedenis van de ondergrond
Langs de Noord- en Zuid-Hollandse kust liggen strandwallen die door de zee zijn opgeworpen. Deze strandwallen liggen parallel aan elkaar ongeveer in noord-zuid richting. De oudste strandwallen liggen het meest oostelijk. Tijdens het opwerpen van de strandwallen heeft de kust zich namelijk in westwaartse richting verplaatst. De vorming van strandwallen ging door tot ongeveer 500 voor Christus. Sinds de Romeinse tijd (12 voor tot 450 na Christus) vindt de verplaatsing van de kust weer in oostwaartse richting plaats, net zoals dat voor het begin van de vorming van de strandwallen het geval was.
Strandwallen die nu nog te vinden zijn in de kuststreek, zijn gevormd door de zee tussen 3000 en 500 voor Christus. De ondergrond van Egmond en Schoorl is ontstaan aan het einde van die periode. Op het moment dat de strandwallen droogvielen kreeg de wind vat op de bovengrond van de strandwallen en joeg dit zand op tot duinen, de zogenaamde Oude Duinen, die veel lager waren dan de duinen die wij heden ten dage als kustverdediging kennen. De huidige duinen ontstonden later door grootschalige zandverstuivingen tussen 1000 en 1850. Hierbij werden de strandwallen en Oude Duinen (deels) overstoven door de Jonge Duinen. Tussen de strandwallen in liggen
strandvlaktes, die veel lager liggen dan de strandwallen, waardoor de eerste later in gebruik genomen werden dan de strandwallen en een ander gebruik kenden.
Het Zeegat van Bergen was rond 7000 voor Christus een riviermonding, waarvan de Overijsselse en de Utrechtse Vecht, de Gelderse IJssel en de Veluwse beken de bovenloop vormden. Het huidige IJsselmeer maakte in die tijd deel uit van een veengebied dat zich uitstrekte van Texel en het gebied achter de strandwallen tot het huidige Overijssel en Gelderland.
Toen de zee rond 6000 voor Christus West-Nederland bereikte drong de zee het land binnen door de riviermonding bij het huidige Bergen, zoals ook bij andere riviermondingen. Achter het Zeegat ontstond hierdoor een krekensysteem in het gebied dat tegenwoordig bekend staat als West-Friesland. Via de kreken stroomde het zeewater het huidige West-Friesland in en uit.
Waar eerder door de riviermonding water naar buiten toe werd getransporteerd, kwam nu hoofdzakelijk zeewater het achterland binnen. Het Zeegat van Bergen vormde met het krekensysteem een estuarium dat wellicht het beste te vergelijken is met de huidige Biesbosch.
Door de snelle stijging van de zeespiegel nam de betekenis van het zeegat steeds verder toe. Na 2400 voor Christus vulde het getijdenbekken zich snel met zand en klei, waardoor ook het zeegat langzamerhand dichtslibde. Rond 1300 voor Christus was het definitief gesloten. Sporen van het Zeegat van Bergen zijn vooral zichtbaar in de kreekruggen in de ondergrond van West-Friesland, die de restanten vormen van het eerder genoemde krekensysteem en in de haakwallen, waarop Bergen is ontstaan. De haakwallen zijn haaks op de normale noord-zuid richting van de strandwallen ontstaan door het instromende zeewater door het zeegat.
2.2. Sporen van bewoning en akkerbouw in de prehistorie
Langs de kust van Nederland werd al vanaf het Vroeg-Neolithicum gewoond (vanaf ongeveer 5300 voor Christus). De prehistorie is de naam voor een lange periode voor de Middeleeuwen. Deze periode is weer onder te verdelen in diverse periodes. De verdeling van de geschiedenis in periodes is weergegevens in de tijdbalk in de begrippenlijst (Neolithicum = Nieuwe Steentijd).
De strandwallen zijn namelijk altijd een aantrekkelijk gebied voor vestiging geweest vanwege de hogere ligging en de zandige samenstelling van de bodem. Of in de huidige gemeente Bergen ook vanaf die tijd op de strandwallen is gewoond, is niet duidelijk. Er zijn geen sporen uit die tijd teruggevonden, maar deze kunnen ook onder de huidige bebouwing liggen of verloren gegaan zijn. De oudst bekende sporen van bewoning in de gemeente Bergen dateren uit de Bronstijd (2000 – 800 voor Christus). Ook in die tijd vestigde men zich op de strandwallen.
De bewoners van het gebied voerden een gemengd landbouwbedrijf, waarbij men akkers op de strandwallen had en het vee ’s winters in de stal stond en in de zomer op de strandvlaktes geweid werd. Resten die bij archeologische opgravingen uit die periode gevonden worden bestaan veelal uit botten en scherven en uit zogenaamde paalgaten en afvalkuilen en waterputten. De paalgaten zijn te herkennen aan de donkerder kleur grond, die de plaats aangeven waar palen van woningen en bijgebouwen gestaan hebben.
De palen zijn uit de gaten genomen of zijn weggerot en in de gaten is een donkerder kleur grond achtergebleven. De afvalkuilen en waterputten zijn ook te herkennen aan verkleuringen in de grond, waarbij in de afvalkuilen vaak ook scherven worden gevonden.
In de gemeente Bergen zijn archeologische vindplaatsen uit de Bronstijd bekend in de Philisteinsche polder (bij Het Woud) en bij de oude kern van Schoorl. Over de resten die bij Het Woud gevonden zijn is helaas weinig bekend. Het terrein ligt aan de noordflank van de nederzetting Wimme-num.
Bij Schoorl blijkt een terrein twee maal bewoond te zijn. Het perceel aan de Laanweg, Brinklaantje was eerst in de Bronstijd en IJzertijd (2000 tot 12 voor Christus) bewoond, waarna het vermoedelijk werd verlaten en in de Vroege Middeleeuwen (450 tot 1050 na Christus) opnieuw werd bewoond.
Ook in de periode van de Late IJzertijd tot de Romeinse Tijd (250 voor tot 450 na Christus) was het gebied bewoond. De vindplaatsen die gedateerd zijn als terreinen uit de IJzertijd zijn te vinden ten noorden van Aagtdorp en in de omgeving van Egmond-Binnen en Egmond aan den Hoef.
Rond Bergen zijn geen vindplaatsen uit de Late IJzertijd bekend. Mogelijk wordt dit veroorzaakt doordat minder onderzoek in de omgeving van Bergen is gedaan dan in het noorden en het zuiden van de gemeente.
Door de verstuivingen vanaf de tiende eeuw, die hier verder landinwaarts jonge duinen hebben opgeworpen, kunnen de eerdere vindplaatsen ook overstoven zijn, waardoor zij (nog) niet teruggevonden zijn.
Opvallend is dat de resten uit de Late IJzertijd en Romeinse Tijd, behalve op de strandwallen ook in de strandvlakte zijn teruggevonden. Kennelijk was het veen, dat in die tijd in de strandvlakte aan de oppervlakte lag, voldoende droog om er te kunnen wonen. De bewoning van het veen zal zich beperkt hebben tot de randen van het veen langs veenstroompjes en riviertjes. Ook de vondsten uit deze periode bestaan uit de zogenaamde paalgaten en scherven.
Bijzonder zijn een grafveldje aan de Oosterdijk dat is teruggevonden en de sporen van verveningsactiviteiten uit de Romeinse Tijd die bij Schoorl zijn teruggevonden.
Cultuurhistorische elementen en structuren
Diverse archeologische vindplaatsen uit de Bronstijd, IJzertijd en Romeinse Tijd
2.3. Het gebied in de Vroege Middeleeuwen (periode 450-1050)
2.3.1. Wonen, werken en verkeer op de strandwallen
In Bergen zijn de meeste dorpen op strandwallen ontstaan. Veelal werden de strandwallen in Holland gebruikt voor akkerbouw, waarbij de akkers bovenop de strandwal gelegen waren.
In 1e instantie zullen deze akkers individueel ontgonnen zijn en een vrij onregelmatig karakter gekend hebben. Van deze akkers is in het landschap niets meer te herkennen, maar archeologen hebben wel sporen van akkerbouw uit de Vroege Middeleeuwen aangetroffen in het gebied.
Vanaf de Late Middeleeuwen zijn gezamenlijke akkercomplexen aangelegd (zie beschrijving Late Middeleeuwen). Deze akkercomplexen zijn bekend onder de naam “geesten”, maar de naam geest werd in dit gebied ook meer in het algemeen gebruikt voor de hoger gelegen akkergronden.
Als de strandwallen breed genoeg waren ontstonden op de overgang van de akkers naar het grasland wegen of paden, waaraan boerderijen gebouwd werden. Op de plaats waar de strandwal te smal was werden de boerderijen vaak bovenop de strandwal gebouwd. De akkers lagen hier dan omheen. De laaggelegen strandvlakte was in gebruik als weide- en hooiland.
De namen van de meeste dorpen in de gemeente Bergen bestonden al omstreeks 800 en werden in het begin van de tiende eeuw genoemd in de Goederenlijst van de Utrechtse kerk. Door de hogere ligging was de strandwal ook de meest geschikte ondergrond om over te reizen.
Lagergelegen delen hadden over het algemeen veel te lijden van wateroverlast, zeker in de winter. De Herenweg was al vroeg een belangrijke doorgaande route, waarop de naam ook wijst. De heerwegen werden vermoedelijk aangewezen als belangrijk voor de communicatie tussen dorpen, voor de grafelijke bodes, rechters en troepen. Koning Willem II (Koning Willem II was Rooms-koning. Dat houdt in dat hij staatshoofd van het Duitse Rijk was.) voegde hieraan stukjes “Koningsweg” toe die onder andere te vinden zijn bij Schoorl en Alkmaar.
Bij wegen moet overigens niet gedacht worden aan verharde wegen. Zeker in de Middeleeuwen bestonden de doorgaande wegen veelal uit niet meer dan karrensporen of looppaden over een grasstrook. In natte omstandigheden waren deze wegen daarom niet begaanbaar.
De strandvlakten die veel lager waren dan de strandwallen zullen gebruikt zijn als gezamenlijke weidegrond voor het vee, dat de mest moest leveren voor het vruchtbaar maken van de zandige akkers. Een bijzonder landschap in dit kader is het mientenlandschap. Dit bestaat uit binnenduingraslanden op de lagere duinen (nollen) grenzend aan de polder. Tussen Egmond aan den Hoef en Bakkum ligt hiervan een goed herkenbaar restant. Het woord mient betekent gemeenschappelijke weidegrond, waarmee het vroegere gebruik ervan wordt aangeduid.
2.3.2. Water
Uit de duinen en strandwallen stroomde het water naar de lager gelegen strandvlaktes, waardoor deze zeer nat waren. Tot in de dertiende eeuw werden de strandvlaktes bovendien vaak overstroomd door water, dat ofwel vanuit het zuiden via het Oer-IJ5 over de strandvlaktes stroomde ofwel vanuit het noorden via de Rekere het gebied bereikte.
Het Oer-IJ stond in de negende en tiende eeuw in verbinding met het water dat uit Midden Nederland wegvloeide via het in die tijd zich vormende Almere (later de Zuiderzee). Ten zuiden van het Egmondermeer lagen de restgeulen van het Oer-IJ. Het gebied van de Berger- en Egmondermeer was onderdeel van de strandvlakte en daarmee een nat (moerassig) gebied.
Mogelijk werden de randen van het gebied wel gebruikt voor agrarische doeleinden. De Rekere kreeg vanaf de negende of tiende eeuw een verbinding met de zee via het zeegat van Zijpe, dat bij Petten lag. Na die tijd kreeg het Rekere een belangrijke invloed in het gebied.
Op de overgang van de duinen naar het poldergebied erachter komen duinrellen voor. Deze (meestal) kunstmatige waterlopen (Bij kunstmatige waterlopen moet vooral gedacht worden aan vergraven bestaande waterlopen. Zo volgen de Roosloot en de Hoevervaart oude geulen van het Oer-IJ.
Deze lagen al lager en konden daarmee vrij eenvoudig als duinrel worden gebruikt.) werden gebruikt om water uit de duinen te leiden naar de strandvlaktes. Later (vanaf de zestiende eeuw) werden de duinrellen vanwege het schone water dat zij voerden bepalend voor de situering van onder andere wasserijen, (papier)molens, bierbrouwerijen en buitenplaatsen.
2.3.3. Religie
Aan de Nederlandse kust kwamen de 1e missionarissen naar Nederland vanuit Engeland. Zo ook Adelbertus die in de 8e eeuw in Nederland zendeling was. Hij stierf rond 740 waarna hij in de duinen werd begraven en er een houten kerkje bij zijn graf werd gebouwd. Deze plaats waar na de houten kerk ook een stenen kerk is gebouwd, is bekend als de Adelbertusakker. In 922 behoorde het West-Nederlandse kustgebied tot het Frankische rijk. De kapel van Adelbertus werd in dat jaar door de Westfrankische koning Karel de Eenvoudige geschonken aan graaf Dirk I.
Wanneer de abdij van Egmond is gesticht is niet bekend. Aangenomen wordt dat dit in het begin van de 10e eeuw plaatsvond. In diezelfde tijd liet graaf Dirk I het lichaam van Adelbertus overbrengen van zijn graf in de duinen naar een nieuw graf bij het klooster. Het bezitten van een klooster was belangrijk voor opkomende vorsten. Zij konden dit als statussymbool goed gebruiken.
Door schenkingen van de vorst of graaf aan het klooster kon men zien dat de schenker een welvarend bestaan leidde. Bovendien kon hij dan aanspraak maken op de abdij, bijvoorbeeld voor een verblijf.
Tot de 12e eeuw schonken de graven van Holland gronden aan de abdij. Geschat wordt dat de abdij in de 12e eeuw zo’n 3.000 morgen (= 2550 ha.) in bezit had. Daarmee moet het klooster tot de beperkte groep van grote kloosters in Nederland worden gerekend. Het grondbezit van de abdij lag verspreid tussen Callantsoog en de Maas. Exploitatie van het eigen grondgebied door het klooster was noodzakelijk om de religieuze functie te kunnen vervullen.
Naarmate het grondgebied van de abdij groeide zullen hiervoor horigen zijn ingezet. In de 11e en het begin van de 12e eeuw was de abdij van Egmond ook het enige centrum voor wetenschap in het graafschap van Holland en bezat de abdij een scriptorium, (Een scriptorium is een schrijfwerkplaats waar boeken, oorkonden en kronieken werden geschreven en bewaard.)
In 1573 kwam voorlopig een einde aan het bestaan van de abdij van Egmond. De abdij werd verwoest door de Nederlandse troepen, onder leiding van Diederik van Sonoy. Ook in Schoorl was in de Vroege Middeleeuwen al een kerk aanwezig. Deze kerk was het eigendom van de bisschoppen van Utrecht. (In Noord-Kennemerland waren in de Vroege Middeleeuwen in ieder geval 3 soorten kerken. De abdij van Egmond met haar kerk was eigendom van de graven van Holland. De kerken van Petten, Heiloo en Velsen waren moederkerken gesticht onder het klooster van Echternach door Willibrord. En de kerk van Schoorl was direct onderhorig aan de bisschoppen van Utrecht en waren daarmee verplicht tienden af te dragen aan de bisschoppen.) Ook vanuit het huidige Bergen werd in eerste instantie de kerk in Schoorl bezocht.
2.3.4. 9e en 10e eeuw: ontginningen in de strandvlakte
Vanaf de 9e of de 10e eeuw werden de strandvlaktes en het (veen)gebied ten oosten van de strandwallen ontgonnen. In het deel ten noorden van het Bergermeer had zich veen ontwikkeld na het sluiten van het Zeegat van Bergen. Het zoete water, dat niet langer op eenvoudige wijze naar zee kon worden afgevoerd door de barrière van de strandwallen, verzamelde zich hier en in deze natte omstandigheden kon het veen ontstaan. Ten zuiden van Bergen is geen veen te vinden. Hier ontstonden al eerder het Berger- en het Egmondermeer, die vanaf de 12e eeuw verlandden.
De ontginning van het veen kon onmogelijk door individuele boeren worden ondernomen, omdat voor het ontginnen van veen parallelle sloten gegraven moesten worden om het water uit het veen af te voeren. De ontginningen werden daarom ter hand genomen door kleine boerengemeenschappen. Ook werd vanuit de abdij van Egmond initiatief genomen voor veenontginningen.
In dat geval zullen boeren in opdracht van het klooster de ontginningswerkzaamheden hebben uitgevoerd. Door het graven van de parallelle sloten ontstond een strokenverkaveling, die nu bij Schoorl en Aagtdorp nog goed te herkennen is. De strokenverkaveling had een (vrij) onregelmatig karakter.
Door de ontginning van het veen daalde het bodemoppervlak. Veen bestaat voor een groot deel uit plantenresten, die niet verteren door de natte omstandigheden (Veen kan slechts bestaan bij een zeer hoogwaterpeil en is te vergelijken met een spons.). Om akkerbouw en veeteelt mogelijk te maken was het noodzakelijk het veen te ontwateren.
Hierdoor kwam zuurstof bij de onverteerde plantenresten, waardoor zij alsnog verteerden en verdwenen, een proces dat we oxidatie noemen. Door het ontwateren nam verder ook de dikte van het veen af, zogenaamde inklinking.
De kans op overstromingen werd in de loop van de Middeleeuwen steeds groter. Hoewel de zeespiegel in deze tijd niet erg snel steeg, was de relatieve zeespiegelstijging wel groot. (De relatieve zeespiegelstijging is de stijging van de zeespiegel ten opzichte van het land. Het is de werkelijke zeespiegelstijging plus de daling van het bodemoppervlak.) Dit werd voor het belangrijkste deel veroorzaakt door de bodemdaling. In de loop van de Middeleeuwen is het gebied dan ook diverse malen overstroomd, door zeewater dat via de Rekere het gebied binnendrong en water uit Midden-Nederland dat via het Oer-IJ het gebied bereikte.
Cultuurhistorische elementen en structuren
- Sporen van akkerbouw in Vroege Middeleeuwen (in ondergrond)
- Herenweg
- Mientenlandschap
- Adelbertusakker
- Abdijterrein Egmond-Binnen
- Abdijlaan
- Kerkterrein Duinweg, Schoorl
- Strokenverkaveling, o.a. Vennewaterspolder, Aagtdorperpolder
2.4. De Late Middeleeuwen (periode 1000-1500)
Op de overgang van de Vroege naar de Late Middeleeuwen deed zich in het kustgebied een ingrijpend fenomeen voor. Door kustafslag en versteiling van het kustprofiel, gezamenlijk met zandverstuivingen werden de huidige duinen opgeworpen en daarmee de huidige kustverdediging. Eerder waren er ook zandverstuivingen geweest, waardoor op de strandwallen de Oude Duinen waren ontstaan.
De verstuivingen die zich vanaf de 10e eeuw voordeden waren echter grootschaliger en werden vooral vanaf de 12e eeuw catastrofaal voor de bewoners van het gebied. Een deel van het akkerland en sommige dorpen werden door het zand overstoven en men moest daarom naar nieuwe woonplaatsen en akkers zoeken of naar nieuwe bestaansmogelijkheden. Mogelijk is Oudburg, een van de buurschappen die later Bergen gingen vormen, onder het stuivende zand verdwenen.
De nieuwe duinen waren nauwelijks bruikbaar voor agrarische doeleinden, hoewel deze tot in de 15e eeuw wel gebruikt werden voor beweiding. De graven van Holland claimden de duinen als jachtgebied en verdreven daarmee de dorpelingen met hun vee uit de duinen.
2.4.1. Landbouw
Op de strandwallen werd in de Late Middeleeuwen ook akkerbouwcomplexen in het gebied aangelegd, de zogenaamde geesten. Geesten zijn lange, ovaalvormige bouwlanden op de strandwallen. Goede voorbeelden hiervan zijn te vinden bij Wimmenum en bij Zanegeest.
De geesten waren over het algemeen in gezamenlijk bezit van de bewoners van het dorp. Soms was de geest omsloten door een weg, waaraan - indien mogelijk - de boerderijen gebouwd waren. Dergelijke structuren maken geesten vaak tot op de huidige dag herkenbaar.
Inmiddels zijn de meeste geesten bebouwd met huizen, zoals de geest van Catrijp en die van Oostdorp (een van de nederzettingen waaruit Bergen is ontstaan). De strandvlakten waren in deze tijd, waarin de Jonge Duinen zich vormden drassige gebieden. Bij Egmond liep nog een restgeul van het Oer-IJ. Bovendien lagen ten oosten van Egmond en ten zuiden van Bergen het Berger- en Egmondermeer.
Door de afdamming van de Rekere in de 13e eeuw en het verdwijnen van de restgeul van het Oer-IJ verlandden het Berger- en het Egmondermeer. In gebieden waar wateroverlast een rol speelde werd vaker een onregelmatige blokverkaveling gebruikt. Ook de Philisteinse en Wimmenummerpolder, die vermoedelijk al voor de drooglegging van het Bergermeer werden verkaveld, kennen ook een dergelijke onregelmatige blokverkaveling. Het is ook mogelijk dat deze verkaveling het gevolg is van een verdeling van de inwoners van het gebied zonder van bovenaf (bijvoorbeeld door de landsheer) opgelegde regels.
2.4.2. Water
Om de ontginningen te beschermen tegen overstromingen legde de bevolking vanaf het begin van de 12e eeuw dijken aan. De 1e dijk die het gebied moest beschermen was de Zanddijk aan de zuidzijde van Egmond-Binnen. Deze dijk, aangelegd door de monniken van de abdij van Egmond moest het gebied ten noorden ervan beschermen tegen overstromingen vanuit het Oer-IJ. Deze dijk leidde echter tot onenigheid tussen de bewoners ten noorden en ten zuiden van de dijk.
Ook de Rekere vormde een bedreiging voor het gebied. Deze waterloop liep hier (ongeveer) op de plaats van het huidige Noordhollands Kanaal. In eerste instantie legde men aan het einde van de 12e eeuw een dijk aan tussen Bergen en Alkmaar die het water uit het Rekere buiten het gebied van Bergen en Egmond moest houden. Deze dijk is nu bekend onder de naam Kogendijk.
In de loop van de 13e eeuw werd de Rekere afgedamd bij het huidige Schoorldam. Deze afdamming was echter niet succesvol. Uiteindelijk werd de Rekere in 1264 van het Zeegat van Zijpe afgedamd bij Krabbendam met de Rekerdam. In de 11e en 12e eeuw werden de eerste dijken aangelegd rond de hogere reeds bewoonde delen van het gebied. Zo werden de gronden rond Schoorl, Groet en Hargen beschermd door de aanleg van de Oudedijk. Later volgde ook de geleidelijke bedijking van de strandvlakte.
De aanleg van dijken leidde niet tot een probleemloze waterbeheersing. Overstromingen bleven voorkomen en de dijken braken van tijd tot tijd door. Niet zelden ontbrak het in de Late Middeleeuwen aan goed onderhoud van de dijken. Behalve overstromingen vormde het kwelwater uit de nieuw opgestoven duinen een belangrijk probleem. De afwatering vanuit de ontginningen was belangrijk voor de instandhouding ervan.
Door de stijging van de zeespiegel en de daling van het maaiveld werd het echter steeds moeilijker het water uit de ontginningen af te voeren. (Maaivelddaling komt niet alleen bij veen voor, maar ook bij klei.) Het kwelwater vormde hierbij een extra bemoeilijkende factor. Het omkaden of omdijken van polders was een eerste stap in een betere waterbeheersing. Veel van de dijktracés zijn nog te herkennen, ofwel als dijk, ofwel als weg. Om het overtollige water het hoofd te bieden werden tevens extra watergangen gegraven, waarmee de afwatering versneld kon plaatsvinden.
In de 15e eeuw werd de poldermolen uitgevonden. Hierdoor was men niet meer afhankelijk van de natuurlijke omstandigheden voor de afwatering, maar werd het mogelijk op kunstmatige wijze de waterhuishouding te beïnvloeden. Het water werd uit de gebieden naar de molens geleid via molenweteringen of molensloten. Deze zijn vaak nog herkenbaar in het landschap en vormen als de molen ook nog intact is een mooi ensemble met een belangrijke educatieve waarde.
De nieuwe duinen boden voor een belangrijk gebied bescherming tegen overstromingen vanuit de zee. Dat de duinen niet in het gehele gebied voldoende bescherming boden, blijkt echter wel uit de aanwezigheid van de Hondsbossche Zeewering. In 1421 werden de duinen hier aanzienlijk verzwakt door de Sint Elizabethsvloed. Hiermee was een zo bedreigende situatie ontstaan – niet
alleen voor het gebied achter deze duinen, maar voor geheel Holland – dat mannen uit het hele graafschap werden opgeroepen om bij te dragen aan het opwerpen van een zanddijk achter de overgebleven smalle duinenrij.
Deze zanddijk was de voorloper van de huidige Hondsbossche Zeewering en diende in eerste instantie om de duinen te beschermen tegen ondermijning vanuit het wad (aan de landzijde). Dat de zee hier een grote bedreiging bleef vormen, blijkt wel uit het feit, dat al in 1466 een Slaperdijk achter de Hondsbossche Zeewering werd aangelegd. Deze dijk diende als extra bescherming. Voordat de Hondsbossche Zeewering haar huidige ligging kreeg (in 1792) is de dijk een aantal malen naar het oosten toe verlegd.
2.4.3. Religie
Indien een dorp of gehucht geen kerk had, bezochten de mensen de kerk in het dichtstbijzijnde dorp. Zo bezochten de inwoners van de gehuchten die later Bergen zouden vormen in Schoorl de kerk.
In gehuchten waar geen kerk stond, kwam het wel voor dat er een kapel werd gebouwd. Zo was er in Bergen in 1094 een kapel, die uitgroeide tot een nieuwe kerk. De kerk werd uiteindelijk omstreeks 1200 in gebruik genomen. Groet kreeg in het begin van de 15e eeuw een eigen kerk. De kerk van Bergen stond in de Kerkbuurt, een deel dat centraal tussen de 4 gehuchten gelegen was.
Vanuit de gehuchten rond de kerkbuurt bezochten de mensen de kerk via de kortste route. De wegen die de mensen gebruikten werden kerkpaden of doodwegen genoemd. In Bergen is een aantal van de tracés van deze wegen nog duidelijk herkenbaar.
In Egmond-Binnen heeft de abdijkerk lange tijd ook dienst gedaan als parochiekerk. In de loop der tijd werd de combinatie tussen abdij- en parochiekerk steeds moeilijker door de gebedstijden waaraan men zich in de abdij hield. In 1113 werd de Buurkerk gewijd. Behalve kerken werden ook devotiekapellen gebouwd, opgedragen aan een heilige.
Aan de Kerkedijk en Kapellaan bij Zanegeest is een perceel bekend als Kapellandje. Historische bronnen doen vermoeden dat hier een middeleeuwse “kapel van het Heilig Bloed” heeft gestaan. Gesticht in 1421 werd deze kapel tussen 1572 en 1574 weer verwoest. Helaas heeft archeologisch onderzoek nooit kunnen plaatsvinden. In Wimmenum heeft aan de Banweg een kapel voor St. Cosmas gestaan (later Cosmas en Damianus). Deze kapel werd in 1865 door brand verwoest. De plaats waar de kapel gestaan heeft ligt tegen de duinen aan.
2.4.4. Kastelen en versterkte huizen
2.4.4. Kastelen en versterkte huizen
Een markant element uit de Late Middeleeuwen is het Slot in Egmond aan den Hoef. Dit was het slot van de heren van Egmond die bekend zijn uit menig geschiedenisboekje. In Kennemerland hebben in de Middeleeuwen ongeveer 40 versterkte huizen en kastelen gestaan.
Bij graafwerkzaamheden aan het begin van de 20e eeuw is de ruïne van het slot blootgelegd. Helaas zijn hierbij veel grondsporen verloren gegaan en is weinig opgeschreven, waardoor maar weinig bekend is over het slot en de voorgangers ervan. (Bij archeologische opgravingen zijn zowel grondsporen, meestal verkleuringen in de grond, als voorwerpen van belang. De voorwerpen worden tegenwoordig opgeslagen in het archeologisch depot (van Noord-Holland), maar de grondsporen gaan verloren door het opgraven. Beschrijvingen en tekeningen van de grondsporen zijn dan ook van groot belang bij een opgraving, omdat op deze manier bekend blijft welke grondsporen er gevonden zijn.) Wel zijn erg veel voorwerpen gevonden. Of het eerste kasteel ook op deze plaats gestaan heeft is niet duidelijk.
De funderingen die nu zichtbaar zijn in Egmond, zijn de restanten van het kasteel dat in 1573 verwoest is om het niet te laten dienen als schuilplaats voor de Spanjaarden.
Ook in Bergen zijn resten van een kasteel gevonden. Deze zijn niet zo duidelijk in het landschap herkenbaar als de resten van het Slot op de Hoef, maar zijn eveneens van belang. Nabij de Beatrixlaan op een perceel dat bekend staat als het Brederodeveld (Janswerf of Haalkensteijn) zijn sporen van het versterkte huis van Jan van Bergen gevonden. Het heeft bestaan van het einde van de 13e eeuw tot het begin van de 15e eeuw.
Het terrein is geheel bebouwd. Net buiten de Damlanderpolder heeft het “Slot Ramp” gestaan. Vermoedelijk was dit in eerste instantie een versterkt huis, dat hoorde bij de bezittingen van de familie Ramp. In de 16e of 17e eeuw werd hier een buitenplaats gebouwd, dat tot 1775 op deze plaats heeft gestaan. Ook dit terrein is in de 20e eeuw overbouwd.
Cultuurhistorische elementen en structuren
- Geesten
- Onregelmatige blokverkaveling, o.a. Philisteinsepolder, Vereenigde Harger- en Pettemerpolder.
- Hondsbossche Zeewering, inclusief Slaperdijk.
- Lokale dijken, o.a. Klaassen- en Evendijk, Mosselaan .
- Schoorldam
- Rekerdam bij Krabbendam.
- Molens, o.a. Philisteinse molen.
- Sloten, molenweteringen, weteringen, o.a. Wimmenummervaart, Geestmolentocht.
- Kerkterrein van Bergen, ruïnekerk inclusief het terrein eromheen.
- Kerkpaden of doodwegen (o.a. Kerkedijk, Hoflaan/Karel de Grotelaan).
- Kerkterrein van de Buurkerk te Egmond-Binnen.
- Kapellandje bij Zanegeest.
- Kapelweide van Wimmenum.
- Funderingen van het Slot van de heren van Egmond.
- Funderingen van het versterkte huis van Jan van Bergen / Brederodeveld.
- Resten van Slot Ramp.
2.5. De Nieuwe Tijd (periode 1500-1813)
2.5.1. Droogmakerijen
Vanaf de 16e eeuw werden in Nederland meren drooggelegd. Het Achtermeer in Alkmaar was daarvan het eerste. Vaak werden de droogleggingen door kooplieden gefinancierd, in eerste instantie Antwerpse kooplieden, maar vanaf de 16e eeuw door Amsterdamse kooplieden.
Voor de kooplieden was de drooglegging van de meren een vorm van belegging. Het Berger- en het Egmondermeer bestonden in de 16e eeuw uit een gebied van plassen met eilanden Zij vormden een boezem voor het omliggende gebied. (Een boezem is een stelsel van plassen, kanalen, tochten en/of sloten dat zowel van het buitenwater als van het aangrenzende land is afgesloten en dat dient voor tijdelijke waterberging.)
In 1564 besloot de graaf van Egmond, samen met de heer van Brederode (heer van Bergen), de meren met behulp van poldermolens droog te malen. Er werden ringvaarten rond de meren gegraven waarop de molens het water uit het meer konden lozen.
Delfstoffen
Met het toenemende aantal stenen huizen dat gebouwd werd, was er belangstelling voor schelpen. De schelpen waren belangrijk voor de metselspecie voor de bouw van huizen en werden op het strand gewonnen. Deze ‘schelpenvisserij’ was vanaf de Middeleeuwen tot in de twintigste eeuw een lonende bezigheid.
De schelpen werden naar kalkovens vervoerd via schulpwegen, -stetten (overlaadplaatsen) en –vaarten. De plaats aan de Hoevervaart bij Egmond aan den Hoef, waar een kalkoven heeft gestaan, is nog herkenbaar. Verdere resten zijn te vinden in namen als
Schulpvlak en Schulpakker.
Waar mogelijk werd de grond die werd uitgegraven uit de ringvaart gebruikt om er een ringdijk mee aan te leggen. Voor een deel van de ringvaart van het Egmondermeer werden overigens geulen van het oude Oer-IJ vergraven.
De zuidelijke ringvaart van de Bergermeer was tegelijkertijd de noordelijke ringvaart van de Egmondermeer. Doordat een groot deel van het Egmondermeer eigenlijk geen meer was, maar zeer drassig land, werd niet rond het gehele meer een ringvaart gegraven.
De eilanden, die al voor de droogmaking boven het water uitstaken, zijn nog altijd te herkennen aan de afwijkende verkaveling. Ook de Zuidermeer en de Sammerspolder ten zuiden van de Egmondermeer zijn droogmakerijen die in de zestiende eeuw werden drooggelegd. Deze droogmakerijen liggen in het gebied van de restgeulen van het Oer-IJ.
Hoewel water wellicht in de strikte zin van het woord niet als delfstof kan worden gezien, was het duinwater belangrijk voor de ontwikkeling van een aantal activiteiten in het gebied. Het water uit de duinen staat nu bekend om de goede kwaliteit.
In de 16e eeuw was dat niet anders. Duinrellen voerden het water uit de duinen naar de strandvlaktes. Dit water werd voor diverse doeleinden gebruikt. Zo werden langs de duinrellen papiermolens en wasserijen gevestigd. Tevens werd het duinwater door de bierbrouwerijen in Alkmaar gebruikt.
Een andere delfstof in het gebied is klei. Achter de Hondsbossche Zeewering is klei gewonnen voor het aanleggen en verstevigen van de dijk. Het natuurgebied De Putten herinnert hier nog aan. Bij de Abtskolk aan de Schoorlse Zeedijk is een lager gelegen perceel te herkennen. Dit perceel staat bekend als ‘Verdolven End’ en werd eveneens gebruikt voor de winning van klei, waarschijnlijk voor de Schoorlse Zeedijk.
Bij Hargen werd vanaf de 17e eeuw zilverzand gewonnen, dat via de Hargervaart in de richting van Alkmaar werd vervoerd. Overal in het duingebied werd op kleine schaal zand gewonnen.
Zo werd er in de duinen achter Duinvermaak waarschijnlijk vanaf de 17e eeuw en achter ‘De Franschman’ (ten zuidwesten van de Eeuwigelaan) mogelijk vanaf het einde van de 18e eeuw zand gewonnen. In Schoorl werd vanaf het begin van de 19e eeuw zand gewonnen bij ‘De Oorsprong’.
2.5.3. Agrarische sector
In de 16e eeuw was er een bloeiperiode voor de agrarische sector. In die tijd ontwikkelde zich de stolp als nieuw boerderijtype. De stolp bood een efficiënte manier om woning, stal en oogstberging te combineren. De constructieve kern van het gebouw is het ‘vierkant’, een kubusvormige stellage van houten palen en balken. Op dit vierkant rust het piramidevormige dak.
Naast de rijke boeren die een stolp konden (laten) bouwen, waren er in het gebied ook veel keuterboertjes, die een ‘krocht’, een klein stukje land, bewerkten naast de bezigheden als visser, schipper of werkman. Zij hadden veel kleinere landarbeiderswoningen. De eerste bloembollen kwamen in de 16e eeuw naar Nederland. Men ontdekte al snel dat het milde klimaat en de zandige grond van Kennemerland uitermate geschikt waren voor de teelt van bloembollen. Het hart van de bloembollenteelt lag in Zuid-Holland en het aangrenzende Zuid-Kennemerland. In de loop der tijd is het areaal bollenland echter uitgebreid.
In Bergen werden vanaf het 2e kwart van de 19e eeuw bollen geteeld, tegelijkertijd met het telen van tuinbouwproducten. De teelt van de bollen is sterk veranderd en heeft een industrieel karakter gekregen. De oude bollenschuren zijn vrijwel allemaal vervangen door moderne grootschalige landbouwschuren.
De hoeveelheid gewasbeschermingsmiddelen maakt de teelt niet geliefd en het diepploegen betekent een bedreiging voor eventuele archeologische resten in de bodem. Maar ook de bollenteelt is een stukje cultureel erfgoed.
2.5.4. Buitenplaatsen
De stad was een weinig hygiënische, lawaaierige omgeving, waar het met name in de zomer erg stonk. Veel rijke kooplieden en adellijke families lieten dan ook buiten de stad huizen bouwen waar zij in de zomer naartoe trokken, de zogenaamde buitenplaatsen.
Ten noorden van Egmond aan den Hoef ligt de voormalige buitenplaats Schuilenburg, die in de 17e eeuw werd aangelegd. Samen met het rechthuis vormde dit in die tijd de kern van Wimmenum. Bij Bergen ligt ‘Het Huis te Bergen’, ofwel ‘t Oude Hof. Het gebouw dat in 1660 werd gebouwd was eigenlijk bedoeld als linker zijvleugel, maar het hoofdgebouw is nooit gerealiseerd. De rechter zijvleugel was ook gebouwd, maar werd in 1825 weer.
Bij de bespreking van de kastelen en hofsteden in de Middeleeuwen is ook reeds de buitenplaats Slot Ramp genoemd. Het kwam vaker voor dat een middeleeuws versterkt huis werd verbouwd tot buitenplaats of dat in plaats van het middeleeuwse huis een nieuwe buitenplaats werd gebouwd. Ook bij Aagtdorp stond in de Middeleeuwen vermoedelijk een versterkt huis, Poelenburgh. In de 17e eeuw werd hier in ieder geval de buitenplaats Poelenburgh gebouwd, vermoedelijk dus op de resten van het middeleeuwse versterkte huis. W
Westelijk van de Maesdammerlaan liggen de resten van een hofstede die rond 1560 is gebouwd, het huis Craenebergh. De naam is later overgegaan op een oostelijk van deze hofstede in 1630 gebouwd buitenhuis. Deze laatste werd later ook Maesdammerhof genoemd. Bouwkundige resten van de hofstede en het buitenhuis zijn niet teruggevonden.
Behalve aan de huizen zelf werd ook aan de eromheen gelegen parken veel aandacht besteed. Vermeldenswaardig is het feit, dat rond het Oude Hof het oudste voorbeeld van een park in Franse landschapsstijl in Noord-Holland ligt. Het is een zeventiende-eeuwse landschapsontwerp, waarin een symmetrische opzet centraal stond.
Cultuurhistorische elementen en patronen
- Droogmakerijen, o.a. Bergermeer en Egmondermeer.
- Schulpakkers, -wegen, -vaarten, -stetten en resten van kalkovens.
- Duinrellen
- Bleekvelden
- Kleiputten
- Zandafgravingen, Hargergat, bij ‘De Franschman’ .
- Nieuwe of Hargervaart
- Stolpen
- Bollenvelden en -schuren.
- Buitenplaatsen, zowel huizen als parken.
Na de Franse overheersing kwam in 1813 stadhouder Willem V terug in Nederland en werd hij koning Willem I. Deze koning wilde handel en industrie bevorderen. Het is dan ook niet vreemd dat in het begin van de 19e eeuw het Noordhollands Kanaal werd aangelegd (1819-1825).
Dit kanaal moest de bereikbaarheid van de Amsterdamse haven per zeeschip bevorderen. Door de ligging van de zandbank Pampus voor de monding van het IJ was het bereiken van de haven via de Zuiderzee namelijk een riskante onderneming. Tevens werd door het kanaal een directe verbinding tussen de hoofdstad en de marinehaven gerealiseerd.
Het kanaal verloor zijn betekenis door de aanleg van het Noordzeekanaal (1876). Ook lokaal werden in deze tijd veel initiatieven ondernomen om tot een verbetering van de bereikbaarheid en communicatie te komen, zoals de verharding van veel bestaande wegen en de aanleg van nieuwe wegen.
In de Nieuwste Tijd werden ook diverse activiteiten in de duinen begonnen. De kust werd in deze tijd niet meer alleen geassocieerd met visserij en bedreiging, maar ook recreatie werd belangrijk.
2.6. Akkerbouw en beplanting in de duinen
In de 2e helft van de achttiende eeuw werd de graanprijs erg hoog, waarmee het brood dat tot die tijd als hoofdbestanddeel van het voedsel van de Nederlandse bevolking diende, te duur werd voor de armere bevolking. Het brood werd daarom vervangen door de aardappel. Deze bleek uitstekend te gedijen op de schrale duingrond.
De hoge opbrengst per oppervlakte-eenheid en het feit dat de duinaardappels minder vatbaar bleken voor de aardappelziekte dan de aardappels van de andere zandgronden, droegen ertoe bij dat in de duinen veel duinlandjes ontstonden. (Deze gewasziekte kwam ongeveer halverwege de negentiende eeuw op.) De vochtige duinvalleien werden gebruikt voor de aardappelteelt en deze gingen hiermee dan ook op de schop.
De eerste duinlandjes achter ’t Woud stammen uit de late 18e eeuw en die in Schoorl uit de vroege 19e eeuw. In het midden van de 19e eeuw kwam de teelt op de duinlandjes goed op gang. De duinen met de duinlandjes word wel aangeduid met de term ‘zeedorpenlandschap’. Bij Egmond in de Egmonder- en Wimmenummerduinen ligt het grootste aaneengesloten zeedorpenlandschap van Noord-Holland. De duinlandjes kenmerken zich door een soort walletjes rond de akkers. Nu zijn veel van de duinlandjes nog als volkstuinen in gebruik.
De helmplant werd in de zestiende eeuw in de duinen geïntroduceerd. Vanaf de zeventiende eeuw kreeg de aanplant van helmgras een impuls door een subsidiestelsel van de Staten van Holland.
Tegelijkertijd werd ook het uitroeien van de konijnen in de duinen gestimuleerd. De konijnen waren voor die tijd gefokt in de duinen voor de jacht van de graaf of de heer van het gebied. Na 1900 werden door Staatsbosbeheer en de Dienst Domeinen op grote schaal naaldbomen aangeplant in de duinen.
In de natte valleien werden elzen- en berkenbossen aangeplant. De aanplant van bomen was met name bedoeld voor de houtexploitatie en de recreatie.
2.6.2. Delfstoffenwinning
In de 2e helft van de 19e eeuw werd een begin gemaakt met waterwinning in de duinen. Was het schone water eerder al voor diverse nijverheidsfuncties gebruikt, nu werd het schone water gebruikt als drinkwater. Er werd echter al snel meer zoetwater uit de duinen gepompt dan er door regen bij kwam. Hierdoor kwam in de polders achter de duinen brak (soms ook zout) kwelwater aan de oppervlakte, dat de akkerbouw nadelig beïnvloedde.
Men ging er vervolgens toe over infiltratiekanalen te graven om aangevoerd rivierwater in de duinen te laten bezinken en de winning van water uit de duinen mogelijk te maken. In de duinen bij Bergen ligt een pompstation van het waterleidingbedrijf. Dit station wordt nog altijd gebruikt om het water uit de duinen te pompen en naar de consumenten te verdelen.
2.6.3. Gezonde zeelucht, sanatoria en recreatie
n de 2e helft van de 19e eeuw werden in de duinen in Nederland diverse sanatoria en ziekenhuizen opgericht. Het gezonde klimaat en de mooie natuur werden gebruikt om de geestelijke en lichamelijke gezondheid van mensen te verbeteren. Ook werden kolonie-huizen opgericht: vakantie- en rusthuizen voor kinderen (bleek-neusjes) uit oudere stadswijken.
Bij Bergen aan Zee liggen diverse koloniehuizen, zoals ‘Jong Nederland’, waarbij een bijzondere lighal werd gebouwd in een ronde vorm en het koloniehuis ‘Het Zeehuis’, dat inmiddels door het NIVON wordt gebruikt als pension. Ook in Egmond aan Zee is nog een koloniehuis bewaard gebleven Zwartendijk. De laatste heeft later heeft gediend als gemeentehuis voor de gemeente Egmond.
Behalve voor de gezondheid werd aan het einde van de 19e en het begin van de 20e eeuw de zee en het strand ook ontdekt als recreatiegebied. Er kwam meer vrije tijd voor de mensen (in eerste instantie de rijke bovenlaag van de bevolking). De aanleg van spoor- en tramlijnen naar het strand verbeterden bovendien de bereikbaarheid van deze gebieden.
In de duinen, langs het strand, maar ook in de binnenduinrand werden voor de toeristen hotels en pensions gebouwd. De opkomst van het toerisme bracht in grote delen van de huidige gemeente Bergen een omslag van een agrarisch gebied met weinig extra voorzieningen naar een gebied dat voor een belangrijk deel gericht is op toerisme en recreatie.
Bijzonder is natuurlijk het stichten van Bergen aan Zee in het begin van de 20e eeuw. In eerste instantie naast toeristische ook bedoeld als een agrarische stichting. De opbrengsten uit de eerste agrarische experimenten waren echter niet voldoende, zodat de agrarische doelstelling uiteindelijk verdween en Bergen aan Zee een echte badplaats werd.
Vijftig jaar eerder werd in Egmond aan Zee, dat al veel langer bestond, ook de eerste badgast ontvangen, waarmee een proces werd ingezet dat de vissersplaats in een badplaats wijzigde.
2.6.4. Religie
Tussen 1934 en 1955 werd bij de resten van de fundamenten van de oude abdij opnieuw een klooster opgericht. Het gebouw is ontworpen door A.J. Kropholler en T. van Seumeren en is een mooi voorbeeld van de bouwstijl van de Delftse School.
Naast de abdij kent Egmond nog 2 kloosters, te weten het Liobaklooster te Rinnegom gesticht in 1935 en het Karmelieterklooster te Egmond aan den Hoef gesticht in 1931.
In Bergen is het huis van de Ursulinen aan de Nesdijk van belang. Moderne kerken werden ook gebouwd in het gebied. Te denken is aan het Vredeskerkje in Bergen aan Zee, dat in 1918 werd gebouwd en de Petrus en Pauluskerk in Bergen.
2.6.5. Defensie
In 1938 werd in de Bergermeer een militair vliegveld aangelegd. Tijdens de Tweede Wereldoorlog zijn hier door de Duitsers bunkers en manverblijven bijgebouwd.
Behalve deze bouwwerken zijn ook tijdens de Tweede Wereldoorlog verdedigingswerken in de duinen aangelegd. Deze maakten deel uit van de Atlantikwall, een verdedigingslinie van de Duitsers die hen aan de westzijde moest beschermen tegen aanvallen. De Atlantikwall loopt langs de hele Nederlandse kust en verder langs de kust van België, Frankrijk, Spanje en Portugal en ook in Noorwegen.
In het gehele duingebied van de gemeente Bergen en in de binnenduinrand zijn, verspreid, restanten van deze verdedigingsgordel terug te vinden. In de Vereenigde Harger- en Pettemerpolder liggen funderingen van radio-peilstations en enkele tankgrachten.
2.6.7. Bouwkunst in Bergen
Tegen het einde van de 19e eeuw oefende de landelijke omgeving vlak bij de duinen en de kust steeds meer aantrekkingskracht uit op renteniers, kunstenaars en forensen die zich in het kustgebied vestigden, met name in Bergen. De aanleg van de badplaats Bergen aan Zee was een stimulans voor de toerist om dit gebied te bezoeken.
De van oorsprong landelijke kernen werden eind 19e eeuw uitgebreid met bebouwing om de nieuwe bewoners te huisvesten. Het waren veelal luxe panden, verzameld in villaparken en andere woonwijken.
De villa’s uit de eerste helft van de 20e eeuw kenmerkten zich vooral door hun landelijke uitstraling: bakstenen gebouwen met puntdaken. Geregeld werd gebruik gemaakt van houten beschot. Zowel landelijk bekende, als lokaal beroemde architecten tekenden voor de ontwerpen in opdracht van eveneens minder of meer beroemde kunstenaars, schrijvers en andere opdrachtgevers. Hier en daar zijn villa’s met een meer horizontaal karakter gebouwd, variërend van een F.L. Wright-achtige stijl tot artefacten in de sfeer van het Nieuwe Bouwen.
Een bijzondere categorie villa’s was de Amsterdamse Schoolarchitectuur, die met name in Park Meerwijk te vinden is. Bakstenen muurwerk, forse houten kozijnen en rieten kappen in expressieve vormen zijn de belangrijkste herkenningspunten. In baksteen uitgevoerde, fantasierijke details accentueren (hoofd)toegangen en raampartijen. Belangrijke architec-ten zoals J.F. Staal, M. Kropholler en P. Kramer om de bekendste te noemen, bouwden in Meerwijk.
Kwam het stedenbouwkundige patroon van Park Meerwijk in één ontwerp tot stand (1917-1918), de losstaande monumentale bebouwing werd ingevuld door verschillende architecten en kent dan ook een grote variatie.
Anders is het bij Tuindorp Oostbuurt (1922-1930). Hier werden het stedenbouwkundig patroon en de kleinschalige, geschakelde bebouwing als samenhangend ontwerp opgevat. Latere toevoegingen volgden het oorspronkelijke ontwerp in typologie en karakteristiek. Niet alleen qua opzet, maar ook qua doelgroep verschillen de beide woonwijken. Overeenkomstig echter, is het grote belang en de zorgvuldige manier waarop het groen in beide woonwijkjes is toegepast.
Cultuurhistorische elementen en structuren
- Duinlandjes
- Pompstation waterleidingbedrijf
- Koloniehuizen
- Hotels en pensions
- Bergen aan Zee
- Abdij van Egmond
- Vliegveld Bergermeer
- Bunkers in de duinen en resten van de Atlantikwall.
- Rentenierswoningen
- Villa’s
- Atelierwoningen
- Villaparken, o.a. Van Reenenpark en Park Meerwijk.
- Tuindorp Oostbuurt
3. Gebiedsbeschrijvingen
Naast de algemene kenmerken die gelden voor het gehele gebied van Bergen, zijn er ook karakteristieken die specifiek zijn voor een deel van het gebied. In dit hoofdstuk wordt dan ook een onderverdeling gemaakt in verschillende gebieden. Deze onderverdeling hangt samen met een globale geologische indeling, namelijk in:
- Strand en duinen
- Binnenduinrand, met de meeste dorpen
- Polders
Belangrijk hierbij is ook de visie op de gemeente Bergen. Daarvoor kan een metafoor worden gebruikt, hoewel iedere metafoor op sommige plaatsen mank gaat. Bergen zou je kunnen zien als een lusthof: volgens Van Dale ‘een mooi, bekoorlijk oord’ of ‘een voor genoegen aangelegde en onderhouden tuin’. Een lusthof is meer dan alleen een tuin. Tot een lusthof behoren huizen, tuinen, gecultiveerde gronden en woeste gronden.
Op een dergelijke wijze werden ook de buitenplaatsen in de 16e en 17e eeuw aangelegd. Er werd een huis gebouwd met in de directe omgeving een mooi aangelegde tuin om in te wandelen. Verder van het huis vandaan lagen de gecultiveerde gronden, waarop mooie tuinen lagen, de gewassen werden verbouwd en het vee werd gehouden en aan de randen van het grondgebied lag vaak een bos of een ander stuk woeste grond.
Ook Bergen kan op deze manier worden verdeeld, al hebben we in dit geval met meerdere ‘huizen’ te maken. De ‘huizen’ zijn in dit geval het lint van Aagtdorp tot Camperduin, Bergen, Egmond aan den Hoef en Egmond-Binnen. Samen met de binnenduinrand vormen deze ‘huizen’ het huis met de directe tuin van de lusthof.
De polders kunnen worden gezien als de gecultiveerde gronden van de lusthof, terwijl het strand en de duinen de woeste gronden vormen. Op het terrein van een lusthof komen niet alleen hoofdgebouwen voor, maar werden ook tuinhuizen, theekoepels en
andere huisjes gebouwd. Bergen aan Zee en Egmond aan Zee kunnen worden gezien als een tuinhuis in de lusthof. Omdat er sprake is van verschillende ‘huizen’ is de bespreking van de binnenduinrand verdeeld in verschillende domeinen.
Bij de indeling is geprobeerd aansluiting te zoeken bij de nieuwe bestemmingsplangebieden, zodat bij het opstellen van de bestemmingsplannen op een vrij eenvoudige wijze gebruik kan worden gemaakt van deze publicatie. De enige belangrijke afwijking is de afzonderlijke beschrijving van de binnenduinrand. Bij de bestemmingsplannen is dit gebied, behalve waar het de dorpen betreft, ingedeeld bij de duinen of bij het poldergebied.
De binnenduinrand is een overgangsgebied, waarin veel gevonden is en kan worden van de geschiedenis van de huidige gemeente Bergen. Veel van de archeologische vindplaatsen zijn juist in dit gebied gelegen. Dit is niet verwonderlijk, want de strandwallen waaruit de binnenduinrand bestaat, waren een geschikte plaats om te wonen, terwijl het poldergebied daarvoor in eerste instantie te nat was. De duinen zijn vanaf de Middeleeuwen over strandwallen heen gestoven.
Mogelijk liggen hier nog archeologisch interessante plaatsen onder. Het is dus belangrijk in de bestemmingsplannen duingebied, landelijk gebied Noord en landelijk gebied Zuid de binnenduinrand te benoemen, omdat het de grens en het overgangsgebied is naar de andere bestemmingsplangebieden. De begrenzingen van de bestemmingsplangebieden zijn overigens op het moment van schrijven van deze publicatie slechts globaal bekend.
De verdeling in gebieden in deze publicatie is als volgt:
Binnenduinrand:
- Het ‘huis’ Egmond-Binnen, de abdij.
- Het ‘huis’ Egmond aan den Hoef, de heren van Egmond.
- Het ‘huis’ Schoorl, lint van Aagtdorp tot Camperduin.
- Het ‘huis’ Bergen, heerlijkheid op de haakwallen.
- De binnenduinrand als tuin en erf rond de huizen.
Polders:
- Strandvlakten
- Droogmakerijen
Duinen en kust:
- Duinen en strand.
- Egmond aan Zee, vissersdorp en badplaats.
- Bergen aan Zee, badplaats.
3.1. De binnenduinrand: huis en tuin
De overgang van de jonge duinen naar de polders erachter noemen we de binnenduinrand. In deze rand zijn veel dorpen te vinden en de oudste doorgaande weg van noord naar zuid loopt hierlangs.
De ondergrond van de binnenduinrand bestaat uit strandwallen en vergraven jonge duinen. In deze binnenduinrand liggen de ´huizen´ van de Lusthof Bergen, maar ook de directe tuin rond de huizen. In deze tuin zijn diverse activiteiten ontplooid die de lusthof mede hebben gevormd en in het onderstaande zullen worden besproken.
3.1.1. Het ‘huis’ Egmond-Binnen
De Adelbertusput
Tussen 800 en 1000 werd West-Europa regelmatig overvallen door Vikingen. Er werden diverse pogingen ondernomen om hen gunstig te stemmen, bijvoorbeeld door een gebied langs de kust af te staan aan een Vikinghoofdman, maar dat had weinig succes. De regerende koning besloot daarom om een graafschap te stichten in de kuststreek, waarbij de graaf de opdracht kreeg om de kuststreek tegen de Vikingen te beschermen. De eerste graven in Kennemerland waren de Deense aanvoerders Rorik en Godfried. (De koning probeerde door het inschakelen van de Vikingen zelf het gebied te beschermen tegen aanvallen van hun landgenoten.)
De graaf was de vertegenwoordiger van de koning in het aangewezen gebied en hij nam de taken van de koning waar. Als beloning voor diensten aan de koning kregen de graven vaak gebieden in het graafschap dat zij bestuurden in eigendom. Zo ontving graaf Gerulf in 889 van de Oostfrankische koning een aantal goederen in volle eigendom als beloning voor zijn actieve rol bij het verdrijven van de Vikingen.
Deze graaf Gerulf was de stamvader van het Hollandse gravenhuis. Het bezit van de graven werd uitgebreid door nieuwe schenkingen door de koning, maar ook doordat de graven gebieden onrechtmatig in bezit
namen. In de negende eeuw werden langs de kust versterkingen opgeworpen. Rond Adelbertus en de kapel zijn vele wonderverhalen bekend. Hij werd dan ook vereerd door de plaatselijke bevolking en door steeds meer mensen die ook verder weg woonden.
Zijn graf werd een bedevaartsoord en er werden geld en goederen geschonken voor het onderhoud van de kapel Zelfs in de negende en tiende eeuw was deze kapel al een belangrijke plaats, daar wijst de aanleg van de genoemde versterking rond de kapel wel op.
In het begin van de 10e eeuw had een non een visioen over Adelbertus, waarin haar werd opgedragen zijn gebeente op te graven. In die tijd werd met het opgraven van het gebeente de overledene heilig verklaard.
Het gebeente van Adelbertus werd in opdracht van graaf Dirk I verplaatst naar het houten klooster in Hallem, de oude naam voor Egmond-Binnen. Het klooster moet in het begin van de 10 eeuw zijn gesticht en werd nog in dezelfde eeuw vervangen door een stenen klooster.
Met deze uiterlijke transformatie kwamen ook monniken in het klooster te wonen in plaats van de eerdere nonnen. Volgens de verhalen ontsprong bij het eerder graf van Adelbertus een geneeskrachtige bron toen zijn lichaam naar de abdij werd overgebracht. Deze plaats is nu bekend als de Adelbertusput op de Adelbertusakker en wordt nog regelmatig door pelgrims bezocht.
Ook voor de abdij bleef de Adelbertusakker van belang en er werd dan ook een rechtstreekse weg aangelegd tussen de abdij en het kerkje, de Abdijlaan. Op de Adelbertusakker zijn de restanten van de fundamenten van een tufstenen kerkje dat rond 1116 is gebouwd, aangegeven met mergelblokken. Ook de bron is nog altijd aanwezig.

De Abdij
De abdij was een belangrijk centrum in het gebied. In de 10e eeuw was dit het centrum van het graafschap van Holland (hoewel het in deze tijd nog geen Holland heette). Tot 1133 zou het klooster van Egmond het enige klooster in Holland blijven. (In dat jaar stichtte gravin Petronella van Saksen in Rijnsburg een nonnenklooster.)
De eerste Hollandse graven werden begraven in de abdijkerk, die de ‘familiekerk’ van de graven was. Zij hadden een groot deel van het huidige Noord- en Zuid-Holland en van Zeeland in bezit. De eerste 8 graven kozen er echter voor om met hun vrouwen en kinderen juist in Egmond, in het noordelijke deel van hun bezit, begraven te worden. (Het bezit van de graven van Holland strekte zich uit van het noorden van Zeeland in het zuiden tot Petten in het noorden.)
In 1203 werd de laatste Hollandse graaf hier begraven, waarna de begravingen in Rijnsburg plaatsvonden. Met een vergroting van de kerk in 1133 werden 7 van de graven vernield, waarna een aantal herbegravingen in de kerk werden verzorgd. Een aantal lichamen werd hierbij in sarcofagen boven de grond geplaatst.
Het eerste archeologische onderzoek op het terrein van de abdij werd al in 1660 gedaan. Het feit dat hier de eerste graven van Holland begraven waren, gaven het terrein een grote aantrekkingskracht, waarin men opzoek was naar de heroïsche geschiedenis van Holland. In de loop van de 20e eeuw werden diverse archeologische opgravingen op het terrein uitgevoerd.
Uiteindelijk werden bij opgravingen in de 20e eeuw slechts 4 lichamen gevonden, die waren ontkomen aan de vernieling en opruiming van de fundamenten van de abdij in de 19e eeuw. De lichamen die in de jaren 70 van de 20e eeuw definitief zijn geïdentificeerd zijn vermoedelijk van graaf Floris I en zijn zoontje dat als kind stierf, van Othilde van Saksen en van Thetburg, beiden gravinnen.
Niet alleen het begraven van de Hollandse graven in de abdijkerk bewijzen het grote belang van de abdij. De abdij was in de 10e eeuw het enige wetenschappelijke centrum van het graafschap van Holland. In de abdij was een scriptorium aanwezig, waarin boeken en geschriften werden bewaard en overgeschreven.
Hoort bij 3.1.1. Het huis Egmond-Binnen
Bovendien schreven de monniken in de eerste tijd de kronieken van de Hollandse graven. Pas in de loop van de 11e eeuw nam de graaf van Holland zelf kroniekschrijvers in zijn staf op.
In de loop van de 12e eeuw nam het belang van de abdij af. Zoals reeds genoemd werd in die eeuw de abdij in Rijnsburg gesticht. Bovendien waren er de Gregoriaanse hervormingen, waaronder in 1140 de abdij werd overgedragen van de graven van Holland aan het pauselijk gezag in Rome. (Onder deze hervormingen vond men het bestaan van een “eigenklooster” van een wereldlijke machthebber onverenigbaar met de vrije uitoefening van de godsdienst. De graaf van Holland koos ervoor om onderweg op zijn kruistocht naar Jeruzalem de abdij direct onder de invloed van de paus te brengen. Op die manier werd de abdij onttrokken aan de macht van de bisschop van Utrecht, die naast zijn rol als kerkelijk leider ook een belangrijke wereldlijke macht bezat en vaak in conflict met de graaf verkeerde over grondeigendommen.)
Ook na 1140 bleven de graven nauw betrokken bij de abdij. Zoals hierboven reeds beschreven werd nog in 1203 een lid van de grafelijke familie in de abdijkerk begraven. Geleidelijk ontstond echter een verwijdering tussen de graven en de abdij. Het meest pregnant wordt dit duidelijk door het feit dat na het midden van de15e eeuw nog uitsluitend jongere zonen uit de adellijke geslachten een onderkomen in de abdij vinden.
De grote exclusiviteit leidde tot een teruggang in het aantal monniken, wat het verval aankondigde. Ook de voortdurende strijd om de wereldlijke belangen die door de heren Van Egmond werden behartigd, maar ook door het werden aangevallen tijdens de 14e en het begin van de 15e eeuw, droegen bij aan het verval. Overigens was het verval van de abdij niet aan het uiterlijk van de abdij af te lezen. Qua uiterlijk aanzien en welvaart kende de abdij namelijk zijn hoogste bloei in de zestiende eeuw.
In 1573 werd de abdij verwoest door de Nederlandse troepen onder leiding van Diederik van Sonoy. Men was bang dat de Spanjaarden een toevlucht zouden zoeken in de gebouwen die inmiddels door de monniken verlaten waren.
De restanten van de abdij na de brand werden gebruikt voor de fortificatie van Alkmaar in 1573. In 1577 werd de sloop van de abdij en de abdijkerk gestaakt. Er restten toen nog slechts de 2 torens van de abdijkerk. In 1800 werden de ruïnes van deze torens eveneens verkocht voor sloop, waarbij alles in de grond onaangeroerd moest blijven.
In 1820 werden echter ook de overgebleven fundamenten voor sloop verkocht. In de jaren dertig van de twintigste eeuw werd er een nieuw klooster gebouwd naar ontwerp van de architecten A.J. Kropholler en R. van Seumeren. A.J. Kropholler ontwierp onder andere ook het raadhuis van Medemblik. De abdij staat ten zuiden van de oude plaats van de abdij en is in een traditionalistische stijl gebouwd.
Hoort bij 3.1.1. Het huis Egmond-Binnen
De abdij in de maatschappij
Behalve een religieuze functie hadden kloosters in de Middeleeuwen ook vaak heel praktische functies. Eerder in dit stuk is al beschreven dat de abdij met het scriptorium een belangrijke functie had in het schrijven van kronieken en als wetenschappelijk centrum.
Bovendien was de abdij van Egmond betrokken bij ontginningen in het veengebied van een deel van Noord-Holland en bij de aanleg van dijken. De abdij had veel grond uit schenkingen ontvangen en ontgon deze gronden, waarbij zowel monniken werden ingezet als horigen van de abdij. De monniken waren ook betrokken bij de aanleg van de eerste dijken in Noord-Holland, zoals de Hoge Dijk bij Egmond aan den Hoef. Ook waren de monniken bij de aanleg van de Zanddijk betrokken, waarvan de resten in de gemeente Castricum liggen.
De dijk had overigens niet de gewenste uitwerking, omdat het het water dat via het IJ naar het noorden stuwde tegenhield, maar daarbij voor de bewoners van Castricum (ten zuiden van de dijk) wateroverlast veroorzaakte. Hetzelfde gebeurde voor de bewoners van Egmond als het water via het noorden – het Rekere – naar het zuiden kwam en daarbij ook tegen de Zanddijk bleef staan.
In eerste instantie bezochten de inwoners van Egmond-Binnen de abdijkerk die daarmee niet alleen de kerk van de abdij was, maar ook de parochiekerk (Een parochiekerk is de kerk van een zelfstandige kerkelijke gemeente onder een pastoor.).
De gebedstijden van de monniken bleken echter in de loop der tijd steeds moeilijker te combineren met de kerkelijke aangelegenheden van de parochiekerk. Daarom werd in het begin van de 12e eeuw een aparte parochiekerk gebouwd, de Buurkerk, die in 1113 werd gewijd. Hiermee ging de kerkelijke binding tussen de monniken en de inwoners van Egmond-Binnen verloren.
De Buurkerk was in eerste instantie een eenvoudig romaans gebouw van bescheiden afmeting en zonder toren. In de 14e en 15e eeuw werd deze verbouwd tot een kerk met een gotische uitstraling en werd een toren gebouwd. Voor de verwoesting van de abdij in 1573 bleef de Buurkerk gespaard.
In 1589 stortte het middenschip van de kerk echter in, waarna het koor werd ingericht voor protestantse diensten. In 1820 werd de toren gesloopt en in 1836 werd ook het koor gesloopt, waarbij de materialen werden gebruikt voor de bouw een protestants kerkje aan het einde van de Abdijlaan. De huidige kerk is in 1836 gebouwd, maar de toren is gebouwd in 1920.
Egmond-Binnen van Handelsplaats naar agrarische nederzetting
Vermoedelijk heeft rond de Adelbertusakker in de duinen in de 10e eeuw een nederzetting gelegen. De nederzetting bij de Adelbertusakker heette Egmunda en werd in de 10e eeuw door zandverstuivingen – het begin van de verstuivingen waaruit de huidige duinen zijn ontstaan – bedreigd. Met het verplaatsen van de relieken van Adelbertus naar het klooster in het toen zo geheten Hallem ging ook de naam van het dorpje over op deze nederzetting. Waarschijnlijk verhuisden ook de meeste bewoners van het oude ‘Egmunda’ naar het nieuwe Egmond.
Ten oosten van de Adelbertusakker zijn sporen gevonden van bewoning van de Romeinse Tijd t/m de Late Middeleeuwen. De Laatmiddeleeuwse sporen zijn gedeeltelijk aangetast. Dieper weg kunnen zich nog begraven landschappen bevinden, mogelijk met sporen van bewoning of gebruik uit de Late IJzertijd en Romeinse Tijd en de Vroege Middeleeuwen. Of het hier het oude ´Egmunda´ betreft is niet duidelijk.
De bloei van Egmond heeft niet alleen te maken gehad met de religieuze zaken in het klooster. Zoals gebruikelijk rond kloosters werd ook in Egmond-Binnen handel gedreven. De Abdijlaan, die als hoofdstraat van het dorp fungeert, ligt op een langgerekte hoogte. Ten noorden van de Abdijlaan lag in de Middeleeuwen een bevaarbaar water, dat in verbinding stond met de Egmonder Binnenvaart.
De hogere ligging van de Abdijlaan is nog altijd waarneembaar. Deze gegevens lijken te wijzen op een handelsnederzetting, een zogenaamde oevermarkt, waar handel, scheepvaart en ambachtelijke nijverheid een belangrijke rol speelden. Naast de ligging aan het water, lag Egmond-Binnen ook aan (een aftakking van) de doorgaande verbinding in Kennemerland, de Herenweg. De aanwezigheid van het klooster zal zeker ook hebben bijgedragen aan de ontwikkeling van de handel in Egmond-Binnen. Er kwamen tenslotte mensen naar het klooster om religieuze feesten te vieren, waarbij dan een jaarmarkt gehouden werd.
Ten tijde van graaf Dirk II (eind 10e eeuw) was er een nederzetting bij het klooster, waar een burggraaf woonde. Deze burggraaf had vermoedelijk een militaire functie en Egmond kan in die tijd gebruikt zijn als versterkte nederzetting tegen de Friezen. Kloosters waren overigens net als kastelen in die tijd vaker plaatsen om naar te vluchten in tijden van dreiging van oorlog of natuurgeweld. Toch heeft zich nooit een echte stad aan de voet van het klooster ontwikkeld.
Gedurende de Middeleeuwen bestond de bebouwing van Egmond-Binnen buiten de abdij uit de huizen en boerderijen van schatplichtige pachters en schulpstetten. Behalve schatplichtige pachters in Egmond-Binnen, kwamen er ook pachters in Egmond aan Zee, voor wie daar huizen werden gebouwd. Deze pachters bevisten de Noordzee (zie paragraaf over Duinen en kust).
In de 12e eeuw nam niet alleen het belang van de abdij van Egmond af, maar ook van de nederzetting Egmond-Binnen. Daaraan lagen verschillende oorzaken ten grondslag. Door dijkaanleg en de toename van de omvang van de schepen, stagneerde de handel en verdween die uiteindelijk. Bovendien werd het centrum van de macht van de Hollandse graven verlegd naar het zuiden, waarbij Egmond tot een uithoek van het graafschap werd.
Met de verwoesting van de abdij in 1573 werd ook het dorp verwoest en geplunderd. De dorpskern herstelde zich in de 17e eeuw, mede onder invloed van rijke kooplieden uit de steden die in het buitengebied buitenverblijven lieten aanleggen. Waterrijk, Vredesteyn, Tijdverdrijf en Schuylenburg zijn namen van buitenplaatsen uit deze tijd. Van het uiterlijk van deze buitenplaatsen is meestal weinig bewaard gebleven. Schuylenburg kent nog wel de uiterlijke kenmerken ervan. De bebouwing in Egmond-Binnen concentreerde zich tussen de Herenweg, de Peperstraat en de Abdijlaan.
In de 19e eeuw vond uitbreiding van het dorp plaats bij het Krijt en de Boonakkersteeg. Halverwege de negentiende eeuw was het dorp een hoofdzakelijk agrarische nederzetting met tarwe, aardappels en peulvruchten als de belangrijkste producten. Na 1900 zette het herstel van het dorp verder door. In het begin van de twintigste eeuw werden deze producten langzamerhand verdrongen door de veel lucratievere bollenteelt. Deze bracht een verdere verrijking naar het dorp.
In het begin van de 20e eeuw vond vooral verdichting plaats binnen de bebouwing van Egmond-Binnen, naast enige nieuwe bebouwing langs de Herenweg en de Vennewatersweg. Pas na 1945 vond groter opgezette nieuwbouw plaats.
Karakteristieken van de bebouwing in Egmond-Binnen zijn deels de stolpboerderijen, die met name in het open gebied staan. Verder zijn er rentenierswoningen te vinden en kleine woonhuizen op een rechthoekig grondplan met een bouwlaag onder een zadeldak of mansardekap.
Alleen langs de Vennewatersweg is een aantal huizen tegelijkertijd gebouwd. Een woningbouwvereniging bouwde hier in 1919, 6 twee-onder-een-kapwoningen van een bouwlaag met schilddak.
Aanbevelingen
- De geschiedenis van het huis Egmond-Binnen is voor een belangrijk deel bepaald door de religieuze activiteiten en door de eerste graven van Holland. Van de laatste zijn nu nog weinig sporen terug te vinden. Van de religieuze geschiedenis resteren nog de Adelbertusakker en de abdij. Deze dienen bewaard te blijven.
- De Adelbertusakker heeft nog altijd een functie als retraiteplaats. Deze functie kan behouden blijven.
- De Abdijlaan/St. Adelbertweg is de rechtstreekse verbinding tussen de Adelbertusakker en de abdij. Deze centrale verbinding was ook tijdens de Middeleeuwen al van belang en zou sterker benadrukt kunnen worden als belangrijke verbinding binnen het dorp.
- De nu afgesloten Herenweg was eveneens een belangrijke verbinding, die zelfs interlokale betekenis had. Het benadrukken van deze weg binnen de dorpskern versterkt het dorp. In ieder geval moet voorkomen worden dat deze weg een uitstraling krijgt die gelijk is aan de andere straten in het dorp.
- In de17e eeuw is ook in Egmond-Binnen een aantal buitenplaatsen gebouwd. De namen ervan zijn veelal bewaard gebleven, zoals Waterrijk. Nieuwe ontwikkelingen in het kader van wonen in het groen of de ontwikkeling van nieuwe landgoederen is hier mogelijk en past in het gebied. Wel moet daarbij gelet worden op de wijze waarop de zeventiende-eeuwse
buitenplaatsen rond Egmond-Binnen vorm kregen, zodat daarbij aansluiting kan worden gezocht. - De bouwtraditie van Egmond-Binnen bestaat uit losse woningen. Het bouwen van rijtjes woningen is in dit dorp dan ook niet gepast. Gezocht moet worden naar een vorm, die de losse wooneenheden toont.
- Op de plaats waar zich in de 19e eeuw bewoning bevond in Egmond-Binnen is het mogelijk dat onder de huidige bebouwing resten van oudere bouwwerken te vinden zijn. Bij nieuwbouw en werkzaamheden waarbij de grond sterk wordt geroerd zal daarom rekening gehouden moeten worden met mogelijke archeologische of bouwhistorische resten. Bij het dverlenen van bouw- of sloopvergunningen voor deze delen zal dit duidelijk vermeld moeten worden.
3.1.2 Het huis Egmond aan den Hoef
In 1129 was de abt Wouter van Gent bestuurder van de abdij geworden. De abdij had toen al een grote bloei meegemaakt en de abt stelde een reorganisatie van het klooster voor. Het zou voor het geestelijke leven van de monniken beter zijn om het beheer van de abdijgoederen door een rentmeester of voogd te laten uitvoeren. Aangezien de abdij door de graven van Holland was
gesticht, zou volgens het oude eigenkerkenrecht de graaf heer en voogd van de abdij zijn.
Net als de koningen in de 10e eeuw een deel van hun taken overdroegen aan de graven vanwege de toegenomen omvang van hun gebied en de taken, besloten ook de graven van Holland het rentmeesterschap van de abdij over te dragen aan een ambtenaar (Deze ambtenaar is ook wel subadvocatus of ondervoogd genoemd.).
De familie Van Egmond kreeg van de graaf de taak om als rentmeesters voor de abdij te zorgen. Om voor een dergelijke taak in aanmerking te komen moet het geslacht Van Egmond voor die tijd al een aanzienlijke familie geweest zijn.
De abdij lag in het grensgebied tussen Holland en West-Friesland. Het was de graven van Holland in de 12e eeuw nog niet gelukt de West-Friezen aan hun gezag te onderwerpen en de West-Friezen vielen Kennemerland bij tijd en wijle plunderend binnen (Ook vanuit Kennemerland werden overigens verwoestende plundertochten naar West-Friesland uitgevoerd.). Een van de taken van de rentmeester was dan ook de abdij en de daarbij behorende goederen te beschermen tegen plunderingen van de West-Friezen.
De familie Van Egmond heeft van het begin af geprobeerd omhoog te klimmen op de maatschappelijke ladder. De Van Egmonds probeerden zich dan ook te verrijken door loyaliteit aan de graaf van Holland, door het sluiten van goede huwelijken of ten koste van de abdij. De abdij probeerde op haar beurt los te komen van de heren van Egmond. De geschiedenis van de abdij en de rentmeesters is dan ook een geschiedenis van onderlinge strijd (Ook op de Cultuurhistorische Waardenkaart zijn geen vindplaatsen aangegeven die deze veronderstelling ondersteunen.)
De eerste heren Van Egmond bewoonden vermoedelijk een welvarende boerderij op een groot stuk land. Over de plaats van deze boerderij bestaat geen zekerheid, hoewel verondersteld wordt dat deze dicht in de buurt van de huidige Slotruïne gelegen heeft (Deze belening kan in verband worden gebracht met de aanleg van de Hogedijk, die in de tijd van abt Wiboldus (1130-1161) zou zijn aangelegd. Met de dijk werd een groot gebied aan de binnenduinrand tegen het water beschermd. In dit gebied lag ook de hoeve waar Wouter vermoedelijk zijn kasteel bouwde. Door gebrek aan verslagen van de opgraving is veel kennis verloren gegaan over het kasteel en zijn voorgangers.).
In ieder geval werd deze eerdere woonplaats van de familie Van Egmond verwoest tijdens de Loonse oorlog. In deze oorlog werd gevochten over de opvolging van graaf Dirk VII van Holland. De ene partij werd gevormd door Ada, de dochter van Dirk VII, en haar echtgenoot de graaf van Loon en de andere door de oom van Ada, Willem van Oost-Friesland. Wouter I, de heer van Egmond, koos de zijde van Willem en zij wonnen de strijd. De graaf van Loon viel vervolgens echter een aantal keren Holland binnen, waarbij in 1203 onder andere het huis van Wouter I werd verwoest.
In 1206 begon Wouter I aan de bouw van het Slot op den Hoef. Mogelijk werd het slot gebouwd op het land waarmee Berwout II (een voorvader van Wouter I) werd beleend. Hij werd namelijk door de abdij beleend met een hoeve en zes huizen24. Of het Slot ook daadwerkelijk op die hoeve werd gebouwd blijft onduidelijk.
Ook over de bouw van het slot en de verschillende fasen daarin is veel onduidelijkheid. Het rondeel is het oudste deel van het slot waarvan de funderingen nog behouden zijn. Dit zal in het begin van de 13e eeuw zijn gebouwd. Het heeft een onregelmatige ronde vorm. Er is verondersteld dat deze onregelmatige vorm te verklaren zou zijn uit het feit dat er eerder een motte-kasteel gestaan zou hebben (Dit is een kasteel op een motte, een opgeworpen heuvel, die door de hogere ligging beter verdedigbaar was. Deze
mottes werden later geëgaliseerd, waarna er een stenen muur omheen werd gebouwd.).
Of er een motte heeft gelegen en wanneer deze gebouwd is, is niet duidelijk. In ieder geval dateren de oudste scherven uit het begin van de 13e eeuw, zodat eerdere bewoning niet bewezen is.
Willem II van Egmond breidde de heerlijkheid Egmond uit met verschillende lenen, vooral doordat hij in goede gunst bij graaf Floris V van Holland stond. Het lijkt waarschijnlijk dat de rechthoekige delen van het slot tijdens zijn regeerperiode (vanaf 1242) zijn gebouwd. Het complex bestreek na de bouw van dit deel van het slot ruim 3 maal de omvang van het Muiderslot. Ook na de
regeerperiode van Willem II van Egmond bleef de macht en het aanzien van de heren van Egmond groeien en daarmee de financiële middelen.
Aan het einde van de 13e eeuw waren ook de West-Friezen door graaf Floris V van Holland onderworpen aan het Hollandse gezag. Dit betekende echter niet dat de West-Friezen zich zomaar overgaven. Graaf Floris bouwde om zijn gezag te doen gelden dwangburchten rond het West-Friese land, waarvan er in Medemblik nog een resteert, die overigens in de jaren 30 van de 20e eeuw met een flinke dosis fantasie opnieuw is opgebouwd.
Ook aan de westzijde van WestFriesland stonden dwangburchten, zoals bij Alkmaar en bij Eenigenburg (gemeente Harenkarspel). Van Nuwendoorn, de dwangburcht bij Eenigenburg, zijn ook nog slechts de funderingen in het landschap te zien. Deze zijn net als die van het Slot op den Hoef opgemetseld na de opgraving ervan. Nuwendoorn werd in 1296 al weer verwoest en heeft daarmee slechts korte tijd dienst gedaan als dwangburcht.
Met de verwoesting van deze dwangburcht werd het Slot op den Hoef de enige versterking die de doorgang via de westelijke duinstreek naar Kennemerland vanuit het noorden kon verhinderen. Daarmee was het niet alleen het kasteel van een adellijke familie van groot aanzien, maar ook een belangrijke militaire versterking.
Of het kasteel in 1315 ook daadwerkelijk is verwoest, zoals de kroniekschrijver Hoveaus meldt, is niet duidelijk. Zijn tijdgenoten melden dit niet en uit de archeologische opgravingen is dit niet direct af te leiden. Toch is het mogelijk dat het opgaande muurwerk verwoest is geweest. Het kasteel is dan vervolgens weer opgebouwd, maar volgens Hoveaus niet meer in dezelfde grootte en schoonheid als het kasteel daarvoor had, maar ook hierna werd nog regelmatig aan het kasteel ge- en verbouwd.
Onder andere via huwelijken klom de familie Van Egmond in aanzien en macht. In de 15e eeuw werd Willem IV van Egmond de zwager van Karel van Bourgondië, de Stoute. In 1478 benoemde keizer Maximiliaan hem tot ridder van het Gulden Vlies. Jan III van Egmond werd in Palestina tot ridder geslagen en werd in 1486 zelfs stadhouder van Holland, waarna hij door keizer Maximiliaan van Oostenrijk tot graaf van Egmond werd verheven.
Onder Jan III werd het Slot op den Hoef gemaakt tot de “schoonste burcht van Holland”. Hij liet een feestzaal bouwen, een nieuwe ingang aan de grafelijke vleugel en hij liet een volledig nieuw poortgebouw aan de voorburcht bouwen.
Hierna nam het belang van het kasteel in Egmond voor de familie af. Er werden dan ook geen grote bouwactiviteiten meer uitgevoerd. Eerder waren door huwelijken al bezittingen in IJsselstein en Gelderland verworven. Jan IV en zijn zoon Karel van Egmond waren kamerling van keizer Karel V en verbleven in verband daarmee veel in het buitenland. De broer van Karel van Egmond, Lamoraal, kwam in 1541 aan de macht. Hij was na Willem van Oranje de rijkste man van de Nederlanden.
Ook in de grotere politieke verbanden deden zich in deze tijd allerlei ontwikkelingen voor. In de 15e eeuw was Holland aan het Bourgondische rijk gekoppeld door vererving van de grafelijke rechten. Holland, en zeker de omgeving van Egmond, waren hiermee een uithoek van de bezittingen van de bestuurder geworden. In 1555 nam Filips II de regering van de Nederlanden over van zijn vader Karel V. Veel van de politieke aangelegenheden werden toen in Brussel geregeld. Willem van Oranje en zijn medestanders, onder wie Lamoraal van Egmond, waren veel te vinden in Brussel, onder andere om godsdienstvrijheid te bepleiten.
In deze tijd werd het Eedverbond of Compromis van Edelen opgericht, dat zich collectief uitsprak tegen de plakkaten en de geloofsvervolging. Deze groep diende een petitie in bij Margaretha van Parma met een verzoek minder streng de plakkaten te handhaven. Zij beloofde terughoudendheid al kon zij geen concrete toezeggingen doen. De partij noemde zichzelf geuzen (Waarschijnlijk naar aanleiding van een opmerking van een van de edelen die aangaf aan Margaretha van Parma: ”Wees maar niet bang, wij zijn slechts bedelaars (gueux)”.) .
Enkele maanden later vroegen zij om volledige godsdienstvrijheid en spraken zij de wens uit dat het land geleid zou worden door de vertrouwde edelen Oranje, Egmond en Filips van Horn. In dezelfde tijd werden er in het land hagenpreken gehouden en in 1566 had de Beeldenstorm Holland bereikt.
Filips II bleef zijn strenge koers volgen en Alva werd als nieuwe landvoogd over de Nederlanden aangesteld. Alva stelde de Raad van Beroerten in, die al snel bekend werd onder de naam Bloedraad. Terwijl ballingen zich tot bendes geuzen verenigden die een guerrillaoorlog tegen het Spaanse bewind voerden, liet een aantal edelen, onder wie Lamoraal van Egmond en Filips van
Horn, zich naar Brussel lokken waar zij na berechting door de Bloedraad op het schavot stierven.
Met de dood van Lamoraal werd ook het einde van het kasteel van Egmond ingeluid. In 1573 werd het kasteel door Diederik van Sonoy in brand gestoken, opdat het kasteel geen steunpunt kon bieden aan de Spanjaarden bij de aanval op Alkmaar. De zoon van Lamoraal, Lamoraal II, woonde nog wel te Egmond, maar moest vanwege grote schulden uitwijken naar Henegouwen. De goederen werden verkocht en het graafschap ging over op de Staten van Holland.
De ruïne van het kasteel bleef verder op die plaats bestaan. In 1722 werd door een afstammeling van het geslacht Van Egmond wel weer wat aan de bouwvallen gedaan. In 1793 werd de ruïne echter aan slopers verkocht, die de stenen van het kasteel verkochten of gebruikten voor de bouw van huizen elders. In 1832 werd ook de laatst overgebleven toren, de Rentmeesterstoren, gesloopt. Van deze toren resteert nog het enige opgaande muurwerk van het Slot.
De Slotkapel
De Slotkapel is wel bewaard gebleven. Willem I van Egmond stichtte deze kapel in de 13e eeuw. In 1229 werd de kapel in gebruik genomen. Nadat Willem I de volledige voogdij over de abdij had gekregen probeerde hij zijn rechten en zeggenschap ten koste van de abdij verder te vergroten. Dit leidde tot grote geschillen met de abt.
Misschien is dit de aanleiding geweest om zelf een kapel te stichten. Rond 1400 zou de kapel door Arend van Egmond zijn vergroot, waarna de kapel in 1430 werd gesloopt door Jan II van Egmond. Hij zou er een kapittel van 6 kanunniken aan hebben willen toevoegen die dagelijks het koorgebed konden uitvoeren, waarmee de onafhankelijkheid van de Van Egmonds van de abdij werd voltooid. Eerder hadden de monniken van de abdij dit gedaan.
Tot 1573 bleef de Slotkapel bestaan, waarna deze door Diederik van Sonoy tegelijk met het kasteel in brand gestoken werd. Het overgrote deel van de kapel bleef echter overeind, maar het zou geen nut meer hebben voor de Spanjaarden.
In de huidige vorm dateert de Slotkapel uit 1633, toen de kerk werd herbouwd voor de groeiende bevolking van Egmond aan den Hoef. Dat deze kapel duidelijk invloed heeft ondervonden van de Reformatie is in de vorm van het gebouw terug te vinden. Was eerder sprake van een kruiskerk, de huidige vorm is een zaalkerk. Uit bouwhistorisch onderzoek tijdens de restauratie van 1988 blijkt het gebouw uit 1633 te zijn opgebouwd op de resten van de in 1573 in brand gestoken kapel.
Dorp Egmond aan den Hoef
Rondom het Slot van de heren Van Egmond ontstond in de loop der eeuwen bebouwing langs de Herenweg. Deze bebouwing bestond uit de huizen van landarbeiders. Veel van de landarbeiders waren horigen van de abdij of van de heren van Egmond. Behalve het Slot werd ook het eromheen gelegen dorp in 1573 verwoest. In de 17e eeuw werd het dorp meer oostelijk herbouwd, langs de Slotweg.
Na het verlengen van de Hoevervaart met de Nieuwe Vaart of Mallegat werd het dorp ook in westelijke richting uitgebreid. Er vond bebouwing plaats tussen de Herenweg en de Schoolstraat. Net als in Egmond-Binnen vestigden zich ook in Egmond aan den Hoef rijke kooplieden, onder wie Isaac Lemaire, één van de oprichters van de VOC.
Deze rijke kooplieden lieten herenhuizen langs de Herenweg bouwen. In de 18e eeuw trad verval van herenhuizen op en werden deze ten dele gesloopt. Halverwege de 19e eeuw was Egmond aan den Hoef, evenals Egmond-Binnen en de buurschappen Rinnegom en Wimmenum, een agrarisch dorp.
De belangrijkste gewassen die er geteeld werden waren tarwe, aardappelen en peulvruchten. Na 1900 vond een geleidelijke wijziging in het grondgebruik plaats. Op de zogenaamde geestgronden op de strandwallen en afgegraven duingronden maakte de akkerbouw grotendeels plaats voor lucratievere bloembollenteelt. Langs de Herenweg is nog een grote bakstenen bollenschuur uit de jaren 30 van de 20e eeuw bewaard gebleven.
Naast de bollenteelt kwam ook het toerisme op gang. Niet alleen in de duinen en aan de zee had het toerisme een belangrijke invloed ook in de binnenduinrand waren de gevolgen merkbaar. De economische toestand van het dorp en haar inwoners verbeterde dan ook aanzienlijk.
De impuls van de opkomst van de bollenteelt en het toegenomen toerisme leidde tot hernieuwde bouwactiviteiten. Langs Herenweg werd in noordelijke richting gebouwd en langs de Egmonderstraatweg vond uitbreiding in westelijke richtingplaats. Binnen het bebouwde gebied vond verder verdichting plaats. Rond de Tweede Wereldoorlog was het stil in het dorp, maar na 1945 werden rond Egmond aan den Hoef geheel nieuwe straten en wijken gebouwd. Door demping van het Mallegat werd bebouwing aan de zuidzijde van de oude kern mogelijk (Lamoraalweg).
Tot halverwege de 19e eeuw werden in Egmond aan den Hoef voornamelijk eenvoudige panden met een bouwlaag onder een zadeldak gebouwd. Rond 1900 ontstond in het dorpscentrum een kunstenaarskolonie, voornamelijk van kunstenaars die uit Amerika afkomstig zijn. In verschillende panden werden daarvoor op het noorden atelierramen aangebracht. (zie ook figuur 62) Op 11 juni 1970 werd het gebied rond de Slotruïne aangewezen als een van rijkswege beschermd dorpsgezicht.
In de bij het dorpsgezicht behorende beschrijving worden de kenmerken ervan als volgt omschreven:
‘Bij de begrenzing van het beschermde dorpsgezicht is uitgegaan van die dorpsbebouwing, welke nog een relatie heeft met de slotruïne en waarin derhalve de agrarische, de ambachtelijke en de woonbestemming het karakter bepalen. Hierin is behalve de bebouwing langs de Slotweg en de Weg naar de Oude Veert het gerestaureerde 17e-eeuwse complex Slotweg 13-17, de Schoolstraat met daarin enkele monumenten, alsmede het markante 17e-eeuwse hoekpand Schoolstraat 31 van belang. Kenmerkend voor het dorpsbeeld is voorts het geboomte rondom de kerk en kasteelruïne, de bomenrij langs de Slotweg en de vele open terreinen tussen de bebouwing, welke voor agrarische doeleinden worden gebruikt. Een opmerkelijk aspect is het silhouet, waarmee het dorp zich presenteert, gezien vanaf de Hoeverweg uit de richting Alkmaar. Het is daarom van belang dat het tussen de Hoeverweg en de Hoevervaart gelegen weiland in het te ontwerpen stedenbouwkundig plan als open ruimte gehandhaafd blijft. Derhalve is dit weiland over een lengte van circa 150 meter in het beschermde dorpsgezicht opgenomen. Om dezelfde reden is het gebied ten noorden van de kerk en de kasteelruïne tot aan de Prinses Beatrixlaan opgenomen.
- De resten van het Slot van de Heren van Egmond met de Slotkapel en het gebied eromheen, dienen bewaard te blijven. Dit zijn niet alleen belangrijke gegevens van de geschiedenis van Egmond, maar zijn voor de geschiedenis van Nederland belangrijke resten. Voor het behouden van de ruïne en de omgeving ervan moeten goede plannen gemaakt worden, waarmee (wellicht) ook de aantrekkingskracht van Egmond aan den Hoef voor toeristen kan worden verbeterd.
- Er bestaat vanuit de geschiedenis een duidelijk verband tussen Egmond-Binnen en Egmond aan den Hoef. Behalve in de naamgeving is deze band in het landschap niet meer te herkennen. Een van de redenen hiervoor is de rondweg die rond Egmond aan den Hoef is aangelegd. Door de afsluiting van de Herenweg is de noordzuidgerichte route van de Herenweg onderbroken en mist die samenhang nu. Door een goede inrichting is het mogelijk de relatie tussen de verschillende Egmondse dorpen weer duidelijker te maken.
- In Egmond aan den Hoef is voor de Tweede Wereldoorlog gebouwd in de stijl van losse woonhuizen. Daarbij kwamen zowel agrarische woningen voor als herenhuizen. De nieuwbouwwijken van na 1945 bestaan uit rijtjeshuizen en zijn in vergelijking met het oude dorp erg groot.
- Het gebied rond de ruïne is aangewezen als beschermd dorpsgezicht. Dit betekent dat er zorgvuldig met het gebied moet worden omgegaan, maar niet dat er geen nieuwe ontwikkelingen mogelijk zijn. Juist het aantrekkelijk maken van dit gebied kan een belangrijke impuls zijn.
3.1.3. Het ‘huis’ Schoorl, lint van Aagtdorp tot Camperduin
De geschiedenis van Schoorl is een geheel andere dan die van Egmond. De geschiedenis van Schoorl kenmerkt zich voornamelijk door armoede. Pas vanaf het begin van de 20e eeuw, toen de toeristen naar het strand en de duinen kwamen, werden de economische omstandigheden beter voor dit deel van Bergen. Van 1812 tot 1834 was Groet een eigen heerlijkheid naast de heerlijkheid Schoorl. Ook Groet was een dorp waar de armoede nijpend was tot het begin van de 20e eeuw. In 1834 werd het onderdeel van de gemeente Schoorl.
Religie
In de 10e eeuw wordt Schoorl voor het eerst genoemd en geschreven als Scoronlo. Deze naam komt voor in het register van kerkgoederen van het bisdom van Utrecht. De parochie van Schoorl behoorde dan ook tot het bisdom van Utrecht.
De kerk stond daarmee onder direct toezicht van de Domproost, totdat bisschop Koenraad de kerk van Schoorl in 1094 aan het Utrechtse kapittel van Sint Jan gaf. Dat de kerk onder direct toezicht van het Utrechtse bisdom en later van het kapittel van Sint Jan stond, hield in dat er vanuit de Schoorlse parochie tienden moesten worden afgedragen aan de kerk in Utrecht.
Een 10e deel van de opbrengsten van diverse goederen moest daarmee worden overgedragen aan die kerk. De Schoorlse kerk was gewijd aan de heiligen Johannes Baptista (Johannes de Doper) en Wilgefortis en was in 1050 gesticht door bisschop Bernulphus.
Onder de huidige kerk aan de Duinweg, die in 1783 is gebouwd, liggen de resten van eerdere kerken en van begravingen in en rond de kerk. De oudste voorganger van het huidige kerkgebouw is de eerste kerk in het gebied geweest.
In 1094 waren vanuit Schoorl al 4 kapellen gesticht in de omgeving. Deze kapellen stonden in Bergen, Zuid-Scharwoude, Noord-Scharwoude en Oudkarspel. De laatste 3 waren nederzettingen in het veen (gelegen in de huidige gemeente Langedijk), die vanuit Schoorl ontgonnen waren. Het veen werd vanaf de late 9e eeuw ontgonnen. Het was door diverse omstandigheden mogelijk de veengebieden te bewonen (Eerder was dit niet mogelijk omdat het veen te vergelijken is met een spons en er vrij droge omstandigheden en gezamenlijke inzet in het graven van sloten nodig zijn om het veen bewoonbaar en voor landbouw geschikt te maken.) .
De bevolking in Kennemerland groeide bovendien sterk, waardoor nieuwe gebieden voor landbouw noodzakelijk waren om overbevolking te voorkomen. Dat men de verkaveling vanuit Schoorl naar deze dorpen heeft doorgetrokken wijst erop, dat de bewoners uit Schoorl die het veen ontgonnen dit konden voortzetten zonder op een andere ontginning te stuiten.
De naam Scharwoude is afgeleid van Scorlewalt, wat broekbos van Schoorl betekent. Vanuit de duinen gezien werd het gebied aan de andere zijde van de Rekere met deze naam aangeduid. De benaming duidt op een relatie tussen Schoorl en het gebied aan de andere zijde van de Rekere. Aan het einde van de 11e eeuw waren deze ontginningen voltooid en was er een kapel gesticht.
Groet hoorde kerkelijk tot het begin van de 15e eeuw onder (Petten Hargen en Camp, beide vanuit Schoorl gezien, voorbij Groet gelegen, behoorden kerkelijk onder Schoorl.). Het witte kerkje in Groet ligt verhoogd op een soort plein. Al in de 15e eeuw stond hier een kerk, maar de eerste steen voor het huidige gebouw werd in 1575 gelegd.
Onder de huidige kerk liggen mogelijk de resten van het eerdere kerkgebouw en van graven. Sinds de 16e eeuw is het een en ander veranderd aan het kerkje. In 1750 werd bijvoorbeeld nog melding gemaakt van fraaie gebrandschilderde ramen, die nu verdwenen zijn. In 1738 werd de noordzijde van de kerk ingrijpend vernieuwd en in 1830 stortte het koor in tijdens een storm.
In 1948 werd het kerkje geheel gerestaureerd. Het kerkje is opgetrokken uit baksteen, dat witgepleisterd is. Het heeft een houten spitstorentje boven de tuitgevelvormige voorgevel.
Schoorl met de gehuchten Aagtdorp, Buitenduin, Bregtdorp, Catrijp, Hargen en Kamp. Tot 1834 bleef Groet een eigen rechtsgebied.
‘Als kralen aan een snoer liggen achtereenvolgens (de oude kernen van) Aagtdorp, Schoorl, Bregtdorp, Catrijp, Groet, Hargen en Camperduin aan de over de strandwal lopende wegen. Bij Groet en met name bij Schoorl zijn inmiddels op grote schaal uitbreidingen in de richting van de strandvlakte gerealiseerd. De bebouwing van de dorpen op de strandwal is, met name in Schoorl, Aagtdorp en Bregtdorp niet aaneengesloten. Binnen de dorpen zijn als het ware stukken van het [natuurlijke] landschap aanwezig. Deze ruimten binnen de dorpen liggen tegen de duinrand en variëren van klein (Bregtdorp) tot tamelijk groot (De Nollen in Schoorl).
Citaat uit: De strandwal van Schoorl en Groet, Landschapsonderzoek Noord-Holland, 1986.
De oudste nu bekende sporen van bewoning van dit gebied zijn bij Schoorl gevonden29. Het betreft bewoningssporen die mogelijk uit de Bronstijd stammen (2000 tot 800 voor Christus) en aan de Laanweg tegen de oude dorpskern aan gevonden zijn.
Wonen
De binnenduinrand, waarin ook de dorpen liggen, is vrij smal tussen Aagtdorp en Camperduin. De dorpen liggen op de strandwal, in overeenstemming met hetgeen in hoofdstuk 2 werd beschreven.
De oude dorpskernen hebben veelal een langgerekte structuur, die aansluit bij de langgerekte vorm van de strandwallen. In de vroege vijftiende eeuw bestaat de Heerlijkheid Schoorl uit het dorp Schoorl met de gehuchten Aagtdorp, Buitenduin, Bregtdorp, Catrijp, Hargen en Kamp. Tot 1834 bleef Groet een eigen rechtsgebied.
‘Als kralen aan een snoer liggen achtereenvolgens (de oude kernen van) Aagtdorp, Schoorl, Bregtdorp, Catrijp, Groet, Hargen en Camperduin aan de over de strandwal lopende wegen. Bij Groet en met name bij Schoorl zijn inmiddels op grote schaal uitbreidingen in de richting van de strandvlakte gerealiseerd. De bebouwing van de dorpen op de strandwal is, met name in Schoorl, Aagtdorp en Bregtdorp niet aaneengesloten. Binnen de dorpen zijn als het ware stukken van het [natuurlijke] landschap aanwezig. Deze ruimten binnen de dorpen liggen tegen de duinrand en variëren van klein (Bregtdorp) tot tamelijk groot (De Nollen in Schoorl).
Citaat uit: De strandwal van Schoorl en Groet, Landschapsonderzoek Noord-Holland, 1986
De oudste nu bekende sporen van bewoning van dit gebied zijn bij Schoorl gevonden (Zie de Cultuurhistorische Waardenkaart van Noord-Holland, KEN119A.). Het betreft bewoningssporen die mogelijk uit de Bronstijd stammen (2000 tot 800 voor Christus) en aan de Laanweg tegen de oude dorpskern aan gevonden zijn.
Hoort bij 3.1.3 Het ‘huis’ Schoorl, lint van Aagtdorp tot Camperduin
Deze sporen zijn overstoven, waarna in de Vroege Middeleeuwen opnieuw op deze plek is gewoond. De sporen van die bewoning zijn te dateren in de periode tussen 500 en 700 na Christus. In de 9e eeuw is deze nederzetting weer overstoven met duinzand. De overblijfselen van de beide lagen bestaan uit afgedankte huisraad en grondsporen als paalgaten en afvalkuilen. Samen met het hierboven genoemde kerkterrein aan de Duinweg, die naast de bewoningssporen liggen, vormen de middeleeuwse vondsten een goed beeld van een vroegmiddeleeuwse kern.
Dat bovendien op grotere diepte ook bewoningssporen uit de Bronstijd gevonden zijn, verhoogd de waarde van het terrein. Zowel de vondsten uit de Bronstijd als die uit de Vroege Middeleeuwen zijn goed bewaard gebleven.
Alle dorpen en gehuchten in het lint van Schoorl zijn ontstaan rond of bij een geest, maar ieder dorp heeft een eigen structuur. Zo is Schoorl ontstaan uit een tweezijdige lintbebouwing langs de Duinweg, terwijl Groet een meer ovale vorm heeft door de bebouwing aan beide zijden van de geest.
Omdat de kernen al lange tijd bewoond zijn en de huizen in de loop der tijd vervangen zullen zijn, bestaat er een kans dat onder de oude dorpskernen vondsten van bouwhistorische resten en archeologische sporen en voorwerpen worden gedaan (In sommige gevallen zijn al vondsten gedaan van eerdere bewoning, die echter niet nader omschreven zijn in de Cultuurhistorische Waardenkaart.).
De opkomst van het toerisme na 1900 heeft vooral in Schoorl een belangrijke invloed gehad op het karakter van het dorp. De nieuwe bebouwing werd voornamelijk langs de bestaande wegen gebouwd. Ten noorden van de Hervormde kerk, langs de Heereweg ontstond een centrum met een nieuw raadhuis en een relatief groot café-restaurant.
Aan weerszijden van de Heereweg verdichtte de bebouwing zich. Ook naar het oosten toe vond uitbreiding plaats. Zo groeide het dorp in de richting van het stoomtramstation, dat dichter bij Schoorldam dan bij Schoorl lag.
De nieuwe geconcentreerde bebouwing sloot niet direct aan op de dorpskern, maar begon na wat fragmentarische bebouwing op enige honderden meters oostwaarts, vanaf de Gorterweg.
Na 1945 werd Schoorl met forse wijken uitgebreid en werd ook gebouwd tussen de oude kern en de Gorterweg. De nieuwbouw was overigens niet alleen bedoeld voor het toerisme maar ook voor renteniers, kunstenaars en forensen. Doordat de strandwal bij Schoorl breed is, kon op de hogere zandige gronden vrij ver naar het oosten toe worden uitgebreid.
De oude kern in de vorm van een lintbebouwing is door de wijzigingen rond het dorp gedurende de 20e eeuw van karakter veranderd. Niet langer is er achter de lintbebouwing het open landschap te zien. Deze doorzichten zijn verdwenen door de nieuwbouwwijken. Het opvallende open gebied middenin Schoorl geeft het dorp echter een niet zo grote indruk.
Het driehoekige stuk tussen de Heereweg, Laanweg en Voorweg, waarvan de ontstaansgeschiedenis teruggaat op middeleeuwse zandverstuivingen, is slechts incidenteel bebouwd, voornamelijk aan de noordzijde. Het gebied is opgehouden door de eigenaar: de Jelgersma-van der Hoop-stichting.
De agrarische karakteristiek van de dorpen is voornamelijk te herkennen in de agrarische bebouwing van stolpboerderijen en landarbeiderswoningen en in de deels nog aanwezige weilanden en akkers in en rondom de dorpen. In Schoorl, Groet, Bregtdorp en Catrijp zijn door de wijksgewijze uitbreidingen op de overgangen van de strandwal naar de strandvlakte de relaties tussen de dorpen en de open polders verloren gegaan. In de andere dorpen zijn deze overgangen vaak nog goed herkenbaar, waarmee het agrarische karakter van deze dorpen meer bewaard is gebleven.
Voor Hargen en Camperduin is de overgang van de beslotenheid van de binnenduinrand naar het open polderland zeer belangrijk voor het ruimtelijke beeld. De overgang en de ervaring daarvan zijn hier niet alleen getekend door het open polderland, maar deze worden beheerst door de Hondsbossche Zeewering en de daarbij behorende Slaperdijk.
Een andere belangrijke karakteristiek van de dorpen, met uitzondering van Camperduin, is het groene karakter. De meeste straten hebben in plaats van trottoirs grasbermen wat tot een bijzondere uitstraling van de straten leidt. Dit geeft het dorpse karakter van het lint weer. Behalve het ontbreken van trottoirs is er ook veel ander publiek- en particulier groen dat bijdraagt aan het groene karakter van de dorpen.
Landschapsbeeld en bebouwingskarakteristiek
Het landschapsbeeld van het lint wordt in belangrijke mate bepaald door beslotenheid van de hogere gronden. De ruimten worden in de binnenduinrand begrensd door beplanting, bebouwing of grote hoogteverschillen. Waar geen begrenzing te vinden is, is de dalende overgang van strandwal naar poldergebied ruimtelijk te ervaren.
In alle dorpen heeft de bevolking stolpen en landarbeiderswoningen met een kleine stal gebouwd. De stolpen die vanaf de zestiende eeuw hun intrede deden in Noord-Holland kenmerken zich door de vierkante plattegrond en het piramidevormige dak. De landarbeiderswoningen waren bescheiden van afmeting en hadden één bouwlaag onder een zadeldak.
Na 1900 werd de stolp nauwelijks meer als boerderijtype gebouwd in Schoorl. Een opvallend agrarisch object uit 1937 vormt de grote, gaaf bewaarde bollenschuur tegenover hotel Klein Zwitserland aan de Duinweg.
Hoewel zich wel rentenierende agrariërs, in met name Schoorl, vestigden heeft dit in het lint tussen Aagtdorp en Camperduin nauwelijks tot de kenmerkende rentenierswoningen geleid, die onder andere wel in Bergen voorkomen. Na 1900 werden merendeels kleinere tot middelgrote woonhuizen gebouwd en incidenteel een villa.
Deze bebouwing is hoofdzakelijk in Schoorl, Aagtdorp en Hargen te vinden. Het merendeel van de woonhuizen bestaat uit enkele of dubbele panden van één bouwlaag onder een hoog zadeldak, waarin een enkele of dubbele kapverdieping is gelegen. Deze bouwwijze is kenmerkend voor de architectuur in het interbellum. Een deel van de woonhuizen heeft een landelijk karakter door de toepassing van zware rieten kappen boven de parterre. Een karakteristieke groep binnen deze landelijke woonhuizen is het kleine woonhuis op vierkant grondplan met een hoog tentdak en een centrale schoorsteen. Soms werd een vierkante ruimte uitgespaard in een van de hoeken voor een portiek of een klein terras.
Een enkel woonhuis is gebouwd volgens de architectuurstroming van de Nieuwe Zakelijke architectuur. Een opmerkelijk voorbeeld hiervan is een kleine witte villa aan de Nieuweweg 2 in Groet, die in 1933 is gebouwd naar ontwerp van de Amsterdamse architecten B. Merkelbach en Ch.J.F. Karsten.
Een ander noemenswaardig object is de witte villa aan de Hargerzeeweg 9 te Hargen. Deze is gebouwd in 1935 naar ontwerp architect Hans Elte.
In verband met de kunstenaars die zich in Schoorl vestigden werden ook atelierwoningen gebouwd, zij het op niet zo grote schaal als in Bergen. Aan de Gerbrandtslaan 8 te Aagtdorp en de Heereweg 227 te Catrijp zijn nog herkenbare voorbeelden te vinden.
Voor de toeristen werden pensions en zomerhuizen gebouwd. De kort na 1900 gebouwde pensions hebben vooral het karakter van een villa, terwijl de latere pensions nauwelijks van de andere woonbebouwing te onderscheiden zijn.
Na 1945 werden in nieuwbouwwijken naast bungalows vooral eengezinswoningen gebouwd. Ook bij verdichting tussen de bestaande bebouwing werden voornamelijk woonhuizen gebouwd. De bestaande bouwhoogte van één bouwlaag met kap werd over het algemeen gehandhaafd.
Werken
Vanaf de 14e eeuw zijn er bronnen die het werk en de inkomsten van het Schoorlse volk beschrijven. Voor het vaststellen van de belastingen werden onderzoeken ingesteld naar de werkzaamheden en inkomsten van de inwoners van het dorp (Zulke gegevens zijn bekend uit: 1344, 1428, 1462, 1477, 1494, 1514, 1632 en 1732. Uit enkele jaren bevatten deze verslagen uitgebreide informatie met gegevens over de toestanden in het dorp.).
In 1494 wordt gemeld dat er in Schoorl gewerkt wordt in de landbouw, veeteelt en zeevisserij. Daarnaast werden er ook ambachten beoefend in het dorp, die overigens niet bij name genoemd worden.
De landbouw vond plaats op de geesten, die behalve bovenop de strandwal bij Catrijp, Groet, Hargen en Camp ook op de overgangen van de hogere strandwalgronden naar de lagere strandvlaktes lagen. De geesten hadden een regelmatige strokenverkaveling, waarvan delen nog te herkennen zijn bij Bregtdorp, Groet en Camperduin.
Men verbouwde op de akkers boekweit, haver en gerst. Overigens blijkt uit de belastingvaststelling uit 1494 ook dat de inwoners van Schoorl en Groet klaagden over het overstuiven van de akkers met duinzand. Een deel van de middeleeuwse akkers is onder de huidige duinen verdwenen. Na 1900 is voor veel akkers de agrarische functie verloren gegaan en werden er woningen gebouwd.
Aan het einde van de 15e en het begin van de 16e eeuw heerste er in de dorpen grote armoede door het verdwijnen van land als gevolg van zandverstuivingen en door sterfte in de veestapel. Veel mensen overleden en het aantal haardsteden (Een haardstede is een vuurplaats. In de genoemde tijd betaalde men onder andere belasting per vuurplaats.
De afname van het aantal haardsteden duidt dus op een verarming van de bevolking. Vermoedelijk voegde men haardsteden samen om zo te besparen.) nam af. Rond 1500 werd 82% van de grond in Schoorl gepacht door de inwoners.
Per gezin werd ongeveer 3 à 4 morgen (Een morgen land is ongeveer gelijk aan 0,85 are.) gepacht, terwijl voor een normaal gezin zestien morgen grond nodig was. Eerder had de bevolking veel meer grond in eigendom gehad, maar zij was erg verarmd.
Veel rijke stedelijke burgers en kloosters waren eigenaren van de grond geworden (m.n. poorters Haarlem en Alkmaar en het
klooster van Egmond). Het klooster bezat in Kennemerland zeker 36% van de grond. In Groet en Hargen bezat het veel land en duinen. Voor beheer van die grond was het Abtshuis bij Camperduin gebouwd, waar een vertegenwoordiger van de abt woonde. Het huis stond aan de Kleiweg, aan de rand van de Vereenigde Harger- en Pettemerpolder, maar is nu verdwenen. De plaats is nog zichtbaar door de begroeiing.
Een document uit 1550 maakt melding van de ambachten in Schoorl halverwege de 16e eeuw: een brouwer, 2 pelsers (bontwerkers), 4 smeden, 3 wielmakers, 2 kuipers en wollen- en linnenwerkers, vollers, 2 droogscheerders, een olieslager, 2 bakkers, 2 schoenmakers en 5 snijders. Ondanks de aanwezigheid van enige nijverheid in de vorm van papierindustrie, een houtzaagmolen met schuitenmakershelling, een korenmolen, een poldermolen, wagenmakerijen en een smidse was voor de bevolking geen rijk bestaan weggelegd.
In de loop van de 18e eeuw werden de brouwerijen vervangen door bierstekerijen, en verdwenen de houtzaagmolen met scheepshelling en de papierindustrie. Vermoedelijk lag Schoorl te ver buiten de economische kern van Nederland en was het te moeilijk bereikbaar om de nijverheid levend te houden.
Door het gemis aan nijverheid bleef men aangewezen op agrarische bedrijven. Toepassing van kunstmest in de 19e eeuw leidden tot meer ontwikkeling in de landbouw. De magere grond bleef echter tot kleinere resultaten leiden dan in de rest van Kennemerland. Bovendien was er geen tuinbouw in Schoorl. Zelfs de hoge kaasprijzen tussen 1829 en 1885 leidden wel tot meer veehouderij, maar niet tot meer inkomsten voor de Schoorlaars. De armoede was zo nijpend dat in de 19e eeuw zelfs landelijk of regionaal gehouden collecten niet in Schoorl werden gehouden.
Het winnen van zand uit de duinen bleef wel lange tijd een onderdeel van de Schoorlse economie. Vooral in Hargen was de zandmennerij belangrijk. Hiervandaan werd zilverzand (uit de duinen) vervoerd naar elders. Al sinds 1597 hadden de schout en schepenen van Schoorl en Groet het recht om zand uit de voorduinen te halen. Behalve bij Hargen werd echter ook op andere plaatsen zand gewonnen, zoals bij ‘De Oorsprong’.
Een andere belangrijke economische functie in Schoorl werd aan het einde van de 19e eeuw opgericht door de burgemeester. Om de armoede enigszins het hoofd te bieden stichtte burgemeester A.J. Peeck van Schoorl de boomkwekerij Duinbosch, een boomkwekerij met een oppervlakte van ongeveer 20 hectare. Het bedrijf had tussen 1890 en 1930 internationale faam en er werkten 40 mannen uit Schoorl en Groet.
Een belangrijk gedeelte van de bebossing van Texel bestaat uit dennen afkomstig uit Duinbosch. De gronden van het bedrijf lagen verspreid over het gehele grondgebied van Schoorl. Eind negentiende eeuw drong dezelfde burgemeester aan op het aanplanten van dennen, eiken en wilgen in de duinen in het kader van werkverschaffing.
De opkomst van het toerisme brengt verandering
Begin 20e eeuw kwamen de eerste toeristen naar Schoorl (Eerder waren wel gasten naar Schoorl gekomen, maar die kwamen voor religieuze feestdagen.).
Het waren enkelingen, maar de schoonheid van de omgeving werd ontdekt. Het in 29 augustus 1913 geopende baanvak Alkmaar – Schoorl van de stoomtram zette aan tot een uitbreiding van de stroom toeristen. De recreatie bracht welvaart in het dorp al nam het gastenbezoek pas na 1926 in betekenis toe, waarna het bezoekersaantal gestadig groeide.
De laatste decennia neemt het aantal bezoekers weer af, zoals aan de gehele kust van Nederland. Zoals hierboven al opgemerkt leidde de recreatie in Schoorl tot een toegenomen bouwactiviteit. Opvallend is overigens dat in Schoorl zich geen badplaats ontwikkelde.
Wegen
Het lint van Aagtdorp tot Camperduin kende t/m de Tweede Wereldoorlog geen echte doorgaande wegen, slechts lokale en interlokale wegen. Via de Duinweg en in het verlengde daarvan de Heereweg en de parallelle Voorweg waren de dorpen verbonden met Bergen en Egmond. Deze wegen vallen ten dele samen met de oude doorgaande verbinding over de strandwallen. De Laanweg en de Damweg hebben ook een interlokale betekenis, zij verbinden Schoorl met Schoorldam.
Ook na 1945 zijn er in de binnenduinrand geen nieuwe doorgaande wegen aangelegd. De nieuwbouwwijken kregen echter wel nieuwe straten. De gekozen stratenpatronen zijn over het algemeen terug te voeren op de ideeën van de stedenbouwkundigen of de ideeën uit een bepaald tijdvak.
Aanbevelingen
Het gebied van Aagtdorp tot Camperduin heeft een zeer armoedig bestaan gekend en het agrarische karakter van de bebouwing en de nederzettingstructuur zijn nog duidelijk te herkennen. Aanbevolen wordt om bij eventuele nieuwbouw in deze dorpen hiermee rekening te houden. Dure villa’s zijn minder passend, terwijl een verwijzing naar de stolpboerderijen of juist kleinere woningen beter op zijn plaats is.
- In het dorp zijn over het algemeen huizen gebouwd met één bouwlaag en een zadeldak. Deze karakteristiek kan worden voortgezet.
- De bebouwing is over het algemeen op de strandwal gebleven in Schoorl. Dit past in het beeld van de geschiedenis, waarbij men koos voor de hoger gelegen gebieden om er te wonen. Het is beter om binnen de 0-meterlijn te blijven met de bebouwing, zodat de tegenstelling tussen de bebouwde strandwallen en de open strandvlaktes hier duidelijk gehandhaafd blijft.
- In Hargen, Aagtdorp en Camperduin zijn de overgangen van het meer gesloten landschap van de strandwallen naar het open polderlandschap nog aanwezig en duidelijk te herkennen. Juist de overgangen van gesloten naar open landschap zijn aantrekkelijk voor bewoning. Hierdoor bestaat de kans dat de overgangen snel bebouwd worden en zo de overgangen niet meer herkenbaar zullen zijn. Het is aan te raden deze overgangen juist open te houden.
- Bij het bouwen op de strandwallen dient rekening gehouden te worden met de bekende archeologische vindplaatsen maar ook met de mogelijke te verwachten archeologische vindplaatsen. Op de strandwallen is de kans op een archeologisch waardevolle vindplaats te stuiten relatief groot. Voor bekende archeologische vindplaatsen geldt dat een overweging
gemaakt moet worden of belangen van de nieuwbouw opwegen tegen de belangen van de archeologische sporen. Voor andere plaatsen op de strandwal geldt dat in eerste instantie een archeologisch bureauonderzoek moet worden gestart, waarna bekeken moet worden of meer onderzoek noodzakelijk is, totdat duidelijk is of en welke mate archeologische waarden
aangetast zullen worden door de nieuwbouw. - In een aantal van de genoemde dorpen is het karakter van de agrarische nederzetting nog duidelijk te herkennen. Deze is vooral te vinden in de relatie die de bebouwing heeft met het open landbouwgebied. Hoewel dit vroeger akkerland was en tegenwoordig weiland, is de relatie tussen het open landbouwgebied met de bebouwing van groot belang voor de karakter
van het dorp. Hiermee onderscheid een dorp zich namelijk van de dorpen waar de voormalige geesten zijn bebouwd met nieuwbouwwijken, waarbij de relatie met het open landbouwgebied verloren is gegaan. Het zichtbaar houden en
wellicht meer zichtbaar maken van dit karakter is wenselijk. - Door de provincie Noord-Holland is een regeling gemaakt voor Vrijkomende Agrarische Bebouwing. Deze regeling kan worden toegepast bij het vrijkomen van historische boerderijen.
- De Commissie voor Cultuurhistorische Kwaliteit van de gemeente Bergen werkt aan een inventarisatie van waardevolle panden. Deze inventarisatie kan worden gebruikt om gemeentelijke monumenten aan te wijzen. Het is aan te bevelen om een gemeentelijke monumentenlijst op te stellen.
- In Aagtdorp kun je vanaf de kronkelende Duinweg een aantal opmerkelijke landschapselementen beleven. Daarbij kan gedacht worden aan de hoge, lommerrijke hellingen van de binnenduinrand, aan het hiervoor gelegen ovaalvormige weidegebied tussen Duin- en Postweg en aan het onbebouwd gebleven deel van de strandwal in de binnenbocht ten zuiden van het dorp Schoorl, waardoor men vanaf de binnenduinvoet tot ver in het polderland kan kijken.
3.1.4. Het ‘huis’ Bergen, heerlijkheid op de haakwallen
Net als in Egmond en Schoorl bestaat de ondergrond van Bergen uit strandwallen. In Bergen liggen de strandwallen echter haaks op de normale noord-zuid richting. Deze strandwallen zijn zo gevormd door de afwijkende stroming die er was als gevolg van het Zeegat van Bergen (zie figuur 2, hoofdstuk 2).
Het zeegat van Bergen verlandde tussen 2000 en 1000 voor Christus. In die tijd werd er in West-Friesland gewoond en ook rond Egmond zijn vondsten uit die tijd bekend, maar in Bergen zijn geen sporen uit die tijd gevonden. Mogelijk werd er wel gewoond maar zijn de sporen verdwenen onder de zandverstuivingen of zijn ze nog niet opgegraven. Wel is een grafveldje bekend uit de eerste eeuw na Christus, die op het uiterste puntje van de strandwal bij de huidige Oosterdijk gelegen was (Dit grafveldje wordt overigens niet op de Cultuurhistorische Waardenkaart van de provincie aangegeven.).
De naam Bergen hangt waarschijnlijk samen met ‘hoogte’. Op de strandwallen waren namelijk ook duinen ontstaan. Veel van die oude duinen die er in het Nederlandse kustgebied hebben bestaan zijn verdwenen onder de nieuwe jonge duinen of zijn afgegraven om het zand te gebruiken voor bijvoorbeeld uitbreidingen van steden.
In de 12e eeuw was Bergen zowel kerkelijk als bestuurlijk een afzonderlijke eenheid. Het grondgebied werd toen begrensd door het Bergermeer, de Rekere, de Banscheidingsloot en het Wimmenummerwoud. In dit laaggelegen elzenbroekbos, waarmee Bergen was gescheiden van Egmond, stroomde vermoedelijk nog een restgeul van het Zeegat van Bergen.
In 1428 werd Bergen tot hoge en vrije heerlijkheid verheven.
Van 4 gehuchten naar 1 dorp
Omstreeks 960 werd Bergen voor het eerst als woonplaats genoemd. Het bestond in de Vroege Middeleeuwen eigenlijk uit 4 buurschappen of schependommen (Schependom = het rechtsgebied van schepenen.) te weten Oudburg, Oostdorp, Westdorp en Zanegeest. Ieder van deze gehuchtjes stond min of meer op zichzelf. De kerk werd overigens in Schoorl bezocht, totdat aan het einde van de 11e eeuw ook in Bergen een eigen kapel werd gesticht. Het deel waar de kapel kwam te staan, is bekend onder de naam Kerkbuurt. Deze kerkbuurt lag tussen de 4 eerder genoemde gehuchten in.
De naam Oudburg duidt op een oude nederzetting. Van de nederzetting zelf zijn slechts 2 zichtbare resten bewaard gebleven, te weten de boerderijen Van Reenenpark 8 en Breelaan 73.
De naam wordt niet voor de 16e eeuw gebruikt, maar waarschijnlijk was de nederzetting veel ouder. De uitgang –burg doet denken aan de andere nederzettingen langs de Nederlandse kust met die naam: Souburg, Middelburg, Burg, bij Maasland en bij Naaldwijk, Rijnsburg en Den Burgh.
Tussen Rijnsburg en Den Burgh (Texel) is een grote afstand. Mogelijk heeft hier in Bergen een oude burgnederzetting gelegen. Dat zou mooi passen in de rij van burgnederzettingen langs de Nederlandse kust. In de 9e eeuw was er bovendien nog een verbinding tussen het Berger- en Egmondermeer en de Noordzee, zodat het een uitermate strategische positie had. Waarschijnlijk was dit de reden dat de 1e Hollandse graven hier een politiek steunpunt zochten in de vorm van de abdij van Egmond.
Op de kaart van Blaeu van 1660 is Oudburg maar een weinig omvattend gehucht. Vergeleken met 25 jaar eerder was de naam Oudburg toen al naar het oosten verschoven. Oudburg is waarschijnlijk met het ontstaan van de huidige duinen overstoven geraakt. Mogelijk zijn er nog resten van de oude nederzetting te vinden onder de huidige duinen. Deze zullen zich dan op grote diepte bevinden.
De enige nog als zodanig te herkennen geestnederzetting is Zanegeest. Deze nederzetting heeft een geheel eigen karakter, dat onder andere wordt veroorzaakt door de afgelegen positie ervan.
Zanegeest is slechts aan de westzijde aan Bergen is vastgegroeid. Zanegeest is een ovaalvormige nederzetting, die is ontstaan rond de geest. Aan de oostzijde gaat de ovale structuur over in een lineaire structuur. De geest wordt aan die zijde niet meer omgeven door wegen, maar erdoor doorsneden. De geest is nog altijd onbebouwd gebleven, waarmee in het dorp een belangrijke
karakteristiek behouden is gebleven.
De akker- en tuinbouwgronden zijn vrijwel geheel vervangen door grasland. De erfafscheidingen bestaan in sommige gevallen nog uit houtwallen en aan weerszijden van de wegen zijn afscheidingen in de vorm van meidoornhagen aanwezig. Deze hagen dragen bij aan het beeld van de vroegere geestnederzetting.
Ten oosten van het gehucht Zanegeest ligt in de polder een stuk grond dat er op de kaarten van rond 1850 en 1900 uitziet als een geest. Op de geomorfologische kaart is dit deel ook aangeduid als strandwal. Vermoedelijk is dit de Baakmeergeest geweest.
Westdorp en Oostdorp zijn in de loop van de twintigste eeuw aaneen gegroeid samen met de Kerkbuurt en vormen nu gezamenlijk het dorp Bergen. Beide gehuchten zijn net als Oudburg en Zanegeest ontstaan als nederzettingen bij een geest.
Tussen 1900 en 1940 werd vrijwel het hele landbouw- en bosgebied tussen Oudburg, Oostdorp en Westdorp bestemd voor woningbouw. Men bleef hierbij overigens binnen het bestaande wegennet. Ten slotte kent Bergen ook de Kerkbuurt. Dit centraal tussen de 4 buurten gelegen deel, groeide langzamerhand uit tot het centrum van het dorp.
Behalve de kerk waren er ook het kerkhof, een aantal herbergen en een ´regthuis´. De Kerkbuurt is een van rijkswege beschermd dorpsgezicht. Pas na 1900 kwam de centrumfunctie van dit deel van Bergen echt tot ontplooiing, hoewel het begin van de centrumvorming al zo’n 60 jaar eerder plaatsvond.
In 1903 werd er een nieuw gemeentehuis gebouwd en in 1908 kwam daar een postkantoor, ontworpen door Berlage, bij. Deze verving het oudere postkantoor. Daarnaast zijn in dit deel de horeca en de winkels te vinden.
Tussen 1900 en 1920 heeft zich in Bergen een forse bevolkingsgroei voorgedaan. De groei van de bevolking had belangrijke veranderingen in de maatschappelijke structuur van het dorp tot gevolg. Was het dorp altijd een overwegend agrarisch dorp geweest, na 1900 vestigden zich naast renteniers ook op grotere schaal forensen en in mindere mate ook kunstenaars.
Ten noorden, westen en zuidwesten van de Kerkbuurt werd tussen 1900 en 1940 de meer luxe bebouwing gerealiseerd, terwijl aan de oost- en zuidzijde van Bergen bebouwing van eenvoudiger signatuur tot stand kwam. Na 1960 vonden aan de noordoostzijde en de zuidzijde van het dorp wijksgewijze uitbreidingen plaats.
Ook het opgekomen toerisme had invloed op het dorp. Voor toerisme werden er tussen 1900 en 1910 hotels en pensions gebouwd, met name langs de Breelaan tussen de Stationsstraat en de Russenweg.
Villawijk
Kenmerkend voor het 20e eeuwse Bergen is het ontstaan van villawijken. Tussen 1909 en 1912 ontstond het Van Reenenpark rond een ovaal hertenkamp. Dit villagebied is met name bijzonder, omdat er een staalkaart te vinden is van de villabouw in Nederland tussen 1900 en 1940.
Ten zuidwesten van het Van Reenenpark is het villagebied Westdorp te vinden. Tussen de villa’s is de oudere bebouwing van
Westdorp terug te vinden. Een deel van de oudere bebouwing is verloren gegaan door de aanleg van de Oude Hof.
Oudere structuren van het gehucht Westdorp zijn nog terug te vinden in het gebied, zoals het Wiertdijkje en de Buerweg. Kenmerkend van dit villagebied is dat het is gemengd met veel bos, het zogenaamde Bergerbos. Langs de Buerweg bevindt zich een concentratie van atelierwoningen van de kunstenaars van de Bergense School. Het uitbreidingsplan voor de villawijk kwam tussen 1931 en 1937 tot stand.
Tussen 1938 en 1940 werden ter weerszijden van de Eeuwigelaan villa’s in het groen gebouwd. Later werd deze bebouwing geïntensiveerd en ook nu nog worden daar nieuwe villa’s neergezet.
Twee bijzondere wijken van Bergen zijn Park Meerwijk en Tuindorp-Oostbuurt. Beiden zijn voorgedragen als van rijkswege beschermd dorpsgezicht. Park Meerwijk is rond 1918 ontworpen als een totaalproject van vrijstaande en aaneengebouwde villas en landhuizen in een parkachtige –omgeving.
Behalve villaparken kwamen echter ook andere woningen tot stand, zoals woningwetwoningen. De meeste woningen, met uitzondering van de woningwetwoningen, kwamen tot stand in individuele opdracht, langs de bestaande wegen. Tuindorp-Oostbuurt kent een complexmatige bebouwing.
Bebouwingskarakteristiek
Kenmerkend voor het ruimtelijke karakter van het dorp Bergen is het vele openbare en particuliere groen. Er zijn in het dorp veel voortuinen en hagen en de huizen zijn over het algemeen gebouwd in een bos- of parkachtige omgeving of er zijn bomen en grasbermen in de wijk opgenomen.
Zelden zijn trottoirs in de wijken verwerkt, daarvoor zijn veelal de grasbermen tussen de rijweg en de voortuinen bedoeld. Dit geldt in grote lijnen ook voor de woongebieden van na 1945. Bergen kent weinig aaneengesloten bebouwing (rijtjeswoningen). Wel komen twee-onder-een-kap woningen voor.
De Bergense bevolking heeft in eerste instantie stolpboerderijen en landarbeiderswoningen gebouwd. Deze zijn nog te vinden in het dorp. De vestiging van renteniers leidde tot de bouw van rentenierswoningen, middelgrote woonhuizen, die tot 1900 langs de Dorpstraat, de Hoflaan en de (Oude) Bergerweg werden gebouwd.
Tevens ontstond een wijkje met rentenierswoningen aan de Jan Jacoblaan. De villa’s die in Bergen gebouwd zijn, kennen een grote verscheidenheid in uitstraling.
Werken in Bergen
Bergen is tot het begin van de twintigste eeuw een overwegend agrarisch dorp geweest. De geesten van Oudburg, Oost- en Westdorp zijn bebouwd met huizen. Behalve de geest van Zanegeest is alle landbouwgrond daarom nu in de polders terug te vinden. In de
gebiedsbeschrijving van de polders zal hierop daarom meer uitgebreid worden ingegaan.
In Bergen is door de eeuwen heen weinig nijverheid aanwezig geweest. Het dorp lag te ver verwijderd van de belangrijkste verkeersroutes en grondstoffen als klei, hout of schelpkalk waren in onvoldoende mate aanwezig om een eigen nijverheid op te bouwen. Beperkingen door heerlijke rechten op het malen van graan en het voeren van een smederij en de “Order op de buitennering”, die de bedrijvigheid in de steden moest beschermen, maakten het starten van een bedrijfje in Bergen niet gemakkelijker.
Een belangrijke uitzondering waren de industrieën die afhankelijk waren van natuurlijke omstandigheden als stromend, schoon water. Zo werd in Bergen in 1630 een papiermolen gebouwd door de broers Jan en Gerrit Dirckz. Zij stamden uit een papiermakersgeslacht en hun vader had in 1621 in Wormerveer de molen “De Oude Blauw” gesticht. De plaats van de molen met huis en erf wordt in de bevestiging van het octrooi door schout en schepenen genoemd en staat op de kaart van Blaeu aangegeven.
De molen stond in het uiterste noorden van de Philisteinse Polder, direct aan de Roosloot, in de buurt van Slot Rampenbosch. De molen maakte blauw papier (donker blauw van kleur) dat werd gebruikt als pakmateriaal voor textiel, suikerbroden en andere
levensmiddelen.
Nadat de molen in de zomer van 1674 afbrandde werd geen poging ondernomen tot wederopbouw van de molen, maar werd de grond weer overgedragen aan de eigenaren van de grond, de familie Ramp, van wie de grond sinds 1630 was gepacht. Tot enige jaren na 1945 heeft ook een steenfabriek in Oostdorp gestaan aan de Koogdijk.
Religie
De Ruïnekerk
Een opvallend en tot de verbeelding sprekend voorbeeld van de religieuze geschiedenis van Bergen is de Ruïnekerk, die vermoedelijk ook op de plaats staat van de eerste kerk van Bergen.
In 1094 stond er in Bergen een kapel die onderhorig was aan de kerk van Schoorl. De eerste vermelding van een dorpspastoor voor Bergen vinden we pas in 1280. Onder de kerk zijn vermoedelijk resten van een houten en een tufstenen voorganger van de huidige kerk te vinden. Mogelijk zijn er ook resten van begravingen te vinden.
De kerk ligt op een kleine verhoging op de strandwal die uitwaaiert van West- naar Oostdorp, centraal tussen de vier buurschappen in. De Ruïnekerk is in ieder geval niet vroeger te dateren dan de 14e eeuw. De kerk had een enorme omvang voor het kleine dorpje dat Bergen in die tijd was. De bouw van de kerk is dan ook vermoedelijk gefinancierd door de familie Persijn, een adellijk geslacht. Jonkvrouwe Jutte Persijn was in de tijd van de bouw van de kerk weduwe van een van de eerste heren van Bergen, Jan van Haerlem (Deze Jan van Haerlem wordt ook wel Jan van Bergen genoemd.).
Overleveringen verhalen van een noodkapel langs de Kerkedijk. Op deze plaats zijn ook kloostermoppen in de grond teruggevonden, maar het is meer waarschijnlijk dat deze bakstenen gebruikt zijn voor een stenen huis van Jan van Haerlem op die plaats38. De grote kerk was een pseudo-basiliek, waarvan het middenschip slechts iets hoger was dan de zijbeuken en het koor (Zie ook de beschrijving van de kastelen en landhuizen in hoofdstuk 2.).
De toren van het imposante gebouw – het zal als een van de grootste Noord-Hollandse kerken zijn geweest – was ingebouwd. De ligging op de verhoging van de strandwal zal bijgedragen hebben aan de imposante indruk van de kerk. In 1574 werd de kerk door Diederik van Sonoy verwoest.
Omstreeks 1565 had Hendrik van Brederode al tevergeefs geprobeerd de kerk voor de hervormden te vorderen, maar pas in 1582 veranderde het gebruik van het kerkgebouw naar de nieuwe gezindte. Overigens hing slechts 1/3 van de Bergenaren de nieuwe stroming aan.
Tot ver in de 18e eeuw bleef de meerderheid van de bevolking het Katholieke geloof aanhangen. De in brand gestoken kerk werd niet meer helemaal herbouwd. Tussen 1594 en 1597 is gewerkt aan het herstel van het koor in oude, laatgotische trant.
De kerkelijke gemeente kon echter de kosten voor het schip van de kerk niet opbrengen. Er kwamen overigens zo weinig mensen samen op een zondag in de kerk, dat het koor voldoende groot was voor de eredienst. In eerste instantie was er 1 dominee voor Schoorl en Bergen, maar in 1644 kreeg Bergen een eigen predikant.
De Katholieke meerderheid van de bevolking hield samenkomsten in een schuilkerk, waarvoor de achterzijde van de boerderij aan de Achterweg (nu Dorpsstraat) in buurschap Oostdorp werd gebruikt. Aanvankelijk werd de mis gelezen door rondreizende priesters, die onderweg niet altijd hun leven zeker waren. De missen konden niet verboden worden, maar alle uiterlijke vertoon als bedevaarten en processies werden wel verboden.
Devotiekapellen
Ook in Zanegeest heeft religie een belangrijke rol gespeeld. Het dorp is befaamd geworden vanwege de devotiekapel die daar gesticht werd naar aanleiding van het “Mirakel van Bergen” in 1422. In dat jaar vond een overstroming plaats, waarbij een deel van de kerkinventaris van het verdronken Petten teruggevonden werd op een plek aan oostzijde van Bergen.
Het verhaal gaat, dat het zeewater in het hostiekistje was gedrongen. Na het openmaken van het kistje werd de inhoud van water en hosties op een schaal gegoten, waarna het water in geronnen bloed veranderde. Uit dankbaarheid stichtte men op de Zanegeest de kapel van het Heilige Bloed. Deze kapel is vermoedelijk in begin van de Tachtigjarige Oorlog verwoest, maar de resten van de kapel liggen nog altijd in de grond. De naam van Zanegeest wordt wel eens in verband gebracht met de religieuze achtergrond, maar het is zeker niet duidelijk of een verband daarmee gelegd kan worden.
In mei werden jaarlijks `Stille Omgangen´ gehouden van de kapel naar de Ruïnekerk en terug, maar deze werden met de Reformatie verboden net als alle andere officiële (Rooms)-Katholieke gebruiken die uiterlijk zichtbaar waren als processies. Ondanks het verbod werden de Stille Omgangen tot in de 18e eeuw gehouden. Sinds de jaren zestig van de 20e eeuw worden weer Stille Omgangen gehouden in Bergen.
Ursulinenklooster
In Bergen staat het Ursulinenklooster. De stichter van dit klooster was Bernardus Aloysius Antonius Smeeman, die werd geboren in 1853. Hij was in 1894 pastoor in Monnikendam en wilde de Heilige Anthonius van Padua vereren en daartoe een zusterklooster oprichten in Monnikendam.
Op dat moment bestonden er al Ursulinenkloosters elders in Europa, onder andere in Breust-Eijsden. In 1897 kwamen er nonnen uit dat klooster naar Monnikendam om een nieuw convent in Monnikendam op te zetten. Het was een bloeiende gemeenschap, die zich voor het onderwijs inzette. Op 4 augustus 1904 werd een filiaal van het convent geopend in Bergen.
Ondertussen bleven het convent en haar activiteiten groeien, zodat meer ruimte nodig was. Op aanraden van de bisschop werd daarom het gebouw in Bergen uitgebreid, waarna het Moederhuis (Het Moederhuis is de hoofdvestiging van het klooster.) naar Bergen werd verplaatst. In zijn oude vorm is het Ursulinenklooster verdwenen. Aan de Nesdijk is wel het nieuwe gebouw terug te vinden.
Kastelen en landhuizen
Verdwenen landhuizen
Omdat Bergen vanaf circa 1280 een heerlijkheid was, is er vaak gespeculeerd over de vraag of er kastelen in de gemeente gestaan hebben. Verdedigbare kastelen, zoals het Slot op den Hoef in Egmond hebben er in Bergen echter – voor zover bekend – niet gestaan.
Aan de huidige Beatrixlaan ligt een terrein dat bekend is onder de naam Janswerf. In 1915 zijn hier middeleeuwse funderingen aangetroffen in de buurt van het Russenmonument.
Het betreft het kasteel van Jan van Bergen (ook bekend onder de naam Jan van Haerlem), de 1e heer van Bergen. Het kasteel heeft
hier tussen het einde van de 13e en het begin van de 15e eeuw gestaan. Op het terrein zijn 2 keer opgravingen gedaan.
Net als in Egmond vestigden zich in de 16e en 17e eeuw ook in Bergen kooplieden en andere welgestelden. Op de kaart van Adriaan Anthonisz uit 1568 staat een stenen huis Craene Berch met een ovale ringwal temidden van een beginnende plantage aangegeven.
Als de omvang van de plantage dezelfde moet zijn geweest als die achter de huidige Maesdammerhof dan zijn de proporties schromelijk overdreven. Vermoedelijk is Cranenburg gebouwd rond 1560. De eigenaar van de hofstede was Sebastiaen Craenhals, die ook betrokken was bij de drooglegging van de Bergermeer en daar 2 percelen verwierf die hij Cranedal liet noemen. De keuze voor de naam van de hofstede is daarmee voldoende verklaard.
In 1630 werd op een naburig terrein een buiten gebouwd door het geslacht van Foreest, dat “speelhuijs” werd genoemd.
Dit huis had het uiterlijk van een boerenhofstede. Slechts het poortgebouw had enigszins een kasteelachtig uiterlijk.
De naam Cranenburg ging over op dit huis, dat overigens later bekend werd onder de naam Maesdammerhof. De locatie van het buitenhuis is nog altijd te herkennen aan een open plek in het bos. In 1882 werd een nieuw Kranenburgh gebouwd.
Vanaf de tweede helft van de vijftiende eeuw tot ongeveer 1775 heeft eveneens aan de binnenduinrand het Slot Ramp (in de volksmond) of Rampenbosch (in de literatuur) gestaan. Het werd in 1630 aangeduid als “schoon speelhuijs”. Een fameus Haarlems geslacht had in dit gebied bezittingen en het is aannemelijk dat zij daarop een huis van betekenis gebouwd hebben. Mogelijk
is het slot zoals dat op tekeningen is aangegeven een romantische 17e-eeuwse schepping. In 1989 werden opgravingen gedaan op het terrein, waarna het is overbouwd. De bouwkundige resten zijn verloren gegaan.
Oude Hof
Een ander belangrijk (nog zichtbaar) buitenhuis is het Hof of ‘t Oude Hof, dat inmiddels als “Conferentielandgoed” in gebruik is. Het is niet duidelijk of er ook een oudere voorganger op deze plaats heeft gestaan. In 1641 werd Anthonis Studler van Zurck de nieuwe heer van Bergen. Hij was een lakenkoopman uit Leiden en had de heerlijkheid gekocht. In 1643 werd in zijn opdracht begonnen met de bouw van het Hof. De plannen ervoor waren groots en stelden het in 1574 verwoeste “Out Heerenhuys” van Van Brederode volledig in de schaduw (Dit huis stond terzijde van de plantage aan de voet van de duinen.).
Zowel de aanleg van het park als de bouw van het huis zijn een typisch voorbeeld van de strakke geometrische stijl van die tijd (Vergelijkbare voorbeelden zijn het uit dezelfde tijd daterende Berkenrode bij Heemstede en het wat jongere
Nijenburg bij Heiloo (1707-11).).
De streng geometrisch opzet met de anderhalve kilometer lange Kijklaan (nu Sparrenlaan) vanaf het voorplein naar de duinvoet en de westelijke en oostelijke begrenzing van het complex op 200 meter aan weerszijden van de centrale laan is duidelijk te herkennen (aan westzijde Lange Veerweg, nu Mosselenbuurt – Jan Willemlaan, aan oostzijde huidige Haemstedelaan – Komlaan). Haaks hierop liggen 4 wegen die nu bekend staan als Sluislaan, Eeuwigelaan, Kerkelaan en Guurtjeslaan.
Door het lijnenspel wordt de aandacht als vanzelf getrokken naar het middelste van de 3 kunstmatig gecreëerde eilanden. Hier had jonkheer Anthonis zich zijn huis gedacht. Het hoofdgebouw is echter nooit gebouwd, alleen de beide zijvleugels waren in 1658 gereed. De oostelijke zijvleugel is in sterk gewijzigde vorm tot op vandaag bewaard gebleven.
Het is overigens mogelijk dat de resten van de westelijke vleugel van het Hof en eventuele resten van eerdere bouwwerken op deze plaats in de grond bewaard zijn gebleven. Merkwaardig in de aanleg van de tuin zijn de 3e Kattebergen (De naam Katteberg is ontleend aan de vestingbouwkunde. Een kat is een belegeringswerktuig.) (bij de Koperen Buis en de Ronde Kom en de Salomons Katteberg aan het einde van de Jan Willemlaan).
De enige andere kattebergen die in Nederland bekend zijn, komen voor op Nijenburg (genoemd in 1789) en onder Wimmenum (genoemd in 1680). Bij de laatste is echter geen verband met een landgoed.
De aanleg van het Hof is van grote betekenis geweest voor Bergen. Geografie, waterhuishouding, landschap en vooral wegenstructuur werden er drastisch door gewijzigd. Door gebrek aan kaartmateriaal is moeilijk te achterhalen hoe het er vóór die tijd uitzag. Conflicten over het eigendom van een laan bij de plantage Rampenbosch uit 1689 vertellen echter over het naar het noorden verleggen van de Doodweg, die eerder langs de plantage van mevrouw Van Teijlingen liep (dat is Kranenburg). De Eeuwigelaan is getuige dit verslag 40 jaar eerder door de heer van Bergen verlegd naar de huidige plaats.
Verkeer
Het patroon van wegen in de binnenduinrand is in Bergen nogal onregelmatig, wat samenhangt met de aanleg van veel wegen op natuurlijke zandruggen en op dijken. Over het algemeen was een weg niet meer dan een route die regelmatig gebruikt werd. Uitzondering op het onregelmatige wegenpatroon zijn de wegen van de formele aanleg van het Oude Hof en de stratenpatronen van
de 20e-eeuwse woonwijken.
Belangrijke doorgaande wegen in Bergen waren de Bergerweg en de Herenweg. Als oost-westverbinding is de Van Blaaderenweg – Dreef – Stationsweg – Van Reenenpark – Kerklaan – Eeuwigelaan – Zeeweg een belangrijke verbinding. Deze verbinding is echter pas in de 20e eeuw volledig tot stand gekomen.
De Landweg - Koninginneweg – Bergerweg, eveneens een belangrijke doorgaande verbinding, is een 20e-eeuwse verbinding. Binnen het huidige dorp Bergen waren de doodwegen belangrijke verbindingen. Via deze wegen waren de verschillende buurschappen met de Kerkbuurt verbonden, zodat zij via de kortste route naar de kerk en de daarbij gelegen voorzieningen konden reizen. De doden werden dan ook over deze wegen naar het kerkhof vervoerd, waaraan de wegen hun naam danken.
In 1905 werd ten noordoosten van de Kerkbuurt een station gebouwd voor de tramverbinding met Alkmaar. In 1909 werd vanaf het Bergense station de trambaan doorgetrokken naar Bergen aan Zee. In 1955 werd de tramlijn opgeheven. Het stationsgebouw in Bergen is verdwenen, maar het oude tracé van de lijn is nog zichtbaar in de vorm van grasbanen, ruiter- en fietspaden.
De trambaan heeft een belangrijke invloed uitgeoefend op de ruimtelijke groei van Bergen en Bergen aan Zee. De verbinding bevorderde de immigratie van renteniers, gepensioneerden en forensen. Daarnaast speelde de verbinding een belangrijke rol voor dag- en verblijfsrecreanten.
Na 1905 deden ruimtelijke ontwikkelingen zich voor rond het tramstation en langs de trambaan. Ten westen van het station had het tracé invloed op de wegaanleg. Tot aan de Sparrenlaan was de trambaan de zuidelijke begrenzing van de na 1909 ontwikkelde villagebied rond het Van Reenenpark. De Berkenlaan geeft een beeld van de situering van de trambaan. Deze laan volgt met de bloksgewijze bebouwing duidelijk de loop van het tracé.
Aanbevelingen
- Het ontstaan van Bergen uit 4 gehuchten heeft het dorp een bijzondere structuur gegeven. Deze structuur zou zichtbaar moeten blijven. Het gehucht Oudburg is verdwenen, maar op de plaats van de 3 andere gehuchten wordt nog altijd gewoond. De oude structuur van de dorpen kan zichtbaar gehouden worden of kunnen worden gebruikt bij eventuele nieuwbouwplannen.
- Zanegeest is nog duidelijk herkenbaar als geestdorp. Dat maakt het tot een bijzonder deel van Bergen. De openheid moet bewaard blijven en de relatie tussen de bebouwing en de geest moet worden behouden en benadrukt, zodat hierin een stuk historie bewaard blijft.
- Net als Schoorl heeft ook Bergen een bijzonder groen karakter dat het dorp aantrekkelijk maakt. Dit groene karakter kan behouden blijven en bij nieuwbouwplannen als inspiratiebron worden gebruikt.
- Villawijken, atelierwoningen en een tuindorp maken een belangrijk deel uit van de bebouwing van Bergen. Bij nieuwbouwplannen kunnen deze voorbeelden als inspiratiebron worden gebruikt. (zie ook de foto’s in de tekst). Het gaat veelal om losstaande woningen of maximaal twee-onder-een-kap woningen. Rijtjeswoningen komen in Bergen nauwelijks voor en moeten ook in de toekomst worden vermeden.
- Bergen is altijd een overwegend agrarische nederzetting geweest. De openheid rond het dorp met de weilanden en akkers is een belangrijke karakteristiek van het dorp, die zeker behoudenswaardig is.
- De Bergense School met zijn diverse kunstenaars is een belangrijk gegeven voor het dorp Bergen. Ruimtelijk gezien komt dit tot uitdrukking in de atelierwoningen, maar ook in de verhalen en de bekende kunstenaars die in het dorp gewoond hebben komt dit tot uitdrukking. Dit gegeven wordt gebruikt in de recreatieve en toeristische sfeer.
- De Ruïnekerk is een markant gegeven van het dorp Bergen. De ligging op een verhoging maakt de toch al imposante kerk mogelijk nog imposanter. Behoud van de kerk wordt nagestreefd met de status van het gebouw als rijksmonument. Ook in de omgeving moet hiermee rekening gehouden worden. Het bouwen van een groot gebouw naast de kerk is daarom minder gelukkig gekozen en doet afbraak aan de uitstraling van de kerk. In de toekomst moeten dergelijke ingrepen voorkomen worden.
- In Bergen hebben zich vanaf de 17e eeuw diverse rijke kooplieden gevestigd. Zij lieten buitenplaatsen bouwen. In deze traditie past, samen met de traditie van de villaparken, het bouwen van nieuwe landgoederen rond Bergen.
3.1.5. De binnenduinrand als tuin en erf rond de huizen
De binnenduinrand is nu voornamelijk te herkennen als overgangsgebied tussen de hoge, reliëfrijke duinen en het vlakke polderland, maar het is lange tijd het belangrijkste bewoonbare gebied van de huidige gemeente Bergen geweest. Dit was het gebied waar men zich vestigde, waar men de akkers had en waarover men reisde.
Op sommige plaatsen is de binnenduinrand niet breder dan de Herenweg, zoals vanaf Het Woud tot het begin van de Eeuwigelaan. Veel van de strandwallen in het gebied zijn vanaf de Middeleeuwen overstoven door de jonge duinen. Aan de binnenzijde van de duinen in vrijwel het hele gebied zijn duinen afgegraven of geëgaliseerd. (Dit blijkt uit de Geomorfologische kaart van Nederland 1:50.000, blad 19-20 (uitgave 1979) en blad 14-9-10-15. (uitgave 1971).
In de binnenduinrand zijn geesten terug te vinden. Deze gezamenlijk ontgonnen akkerbouwgebieden lagen veelal binnen een ring van boerderijen of tegen een nederzetting aan. In de 20e eeuw zijn veel van de geesten dan ook bebouwd met nieuwe wijken. Dit is vooral in Bergen, Egmond-Binnen, Bregtdorp en Schoorl het geval geweest. De geesten van Rinnegom en Wimmenum en
tussen Hargen en Camperduin zijn nog open en vrij goed herkenbaar.
Figuur 92: Op de kaartjes is met groene arcering aangegeven waar (ongeveer) de akkergronden van de bewoners van de strandwallen lagen. Sommige van deze akkergronden zijn bebouwd met nieuwbouwwijken, andere zijn nog altijd open landbouwgebieden (veelal weiland). (Bron: Cultuurhistorische Waardenkaart provincie Noord-Holland).
Verkeer
De oudste doorgaande weg van Haarlem naar Alkmaar liep langs Castricum en Heiloo. De Herenweg is een aftakking van deze weg. De Herenweg was een belangrijke doorgaande route, die niet alleen de dorpen in de huidige gemeente Bergen met elkaar verbond, maar dus ook een verbinding vormde met de dorpen en steden ten zuiden van Egmond. In de 2e helft van de 19e eeuw zijn de belangrijkste wegen in Nederland verhard, zo ook de Herenweg.
Hoewel er in de loop van de tijd aan het uiterlijk van de weg het een en ander veranderd zal zijn, is het tracé van de weg nog goeddeels bewaard. De doorgaande weg leidt nu om Egmond-Binnen en Het Woud heen, maar het oude tracé door deze kernen heen is nog te herkennen.
Bij Bergen en Egmond aan den Hoef werd in het begin van de twintigste eeuw een tramverbinding aangelegd die min of meer haaks op de binnenduinrand loopt. Hiermee werden deze dorpen en de dorpen aan zee met Alkmaar verbonden.
Tot in het begin van de twintigste eeuw lagen aan de Herenweg alleen een aantal nederzettingen, waarvan de 1 tot een groter dorp uitgroeide dan de ander. Zo zijn Egmond-Binnen en Egmond aan den Hoef veel groter geworden dan bijvoorbeeld Rinnegom en Wimmenum. In de loop van de 20e eeuw heeft een verdichting plaatsgevonden langs de weg, waardoor een soort verspreid lint van woningen is ontstaan. Met name tussen Bergen en Camperduin heeft zich een sterke verdichting voorgedaan, waardoor het nu (bijna) een aaneengesloten lint van bebouwing is geworden.
In de binnenduinrand liggen behalve de woningen langs de Herenweg ook een aantal gehuchten. Zo ligt ten zuiden van Bergen het buurschap Het Woud, dat is genoemd naar het Wimmenummerwoud. Dit laaggelegen bos behoorde tot de heerlijkheid Bergen, maar waar de grens gelopen heeft is niet geheel duidelijk. Het Woud is lange tijd een agrarische nederzetting geweest. De bebouwing is nog altijd hoofdzakelijk agrarisch en ligt verspreid langs de Herenweg en wat meer gebundeld langs de zijwegen. Er hebben zich in de twintigste eeuw weinig wijzigingen voorgedaan in de structuur en de bebouwing van dit gehucht.
Wimmenum was tot 1859 een eigen gemeente, los van de gemeenten Egmond en Bergen. Het is een kleine nederzetting gebleven met agrarische bedrijven langs de Herenweg en de Nattelaan. Verder zijn er rentenierswoningen te vinden. Hoewel bij Wimmenum nog een geest te vinden is, heeft het gehucht veel te lijden gehad van de zandverstuivingen tussen de twaalfde en de 18e eeuw. In de 16e eeuw was de schelpwinning zelfs een belangrijker inkomstenbron in het dorp dan de agrarische activiteiten. Wimmenum had dan ook een eigen schulpstet aan de Schulpvaart. Na 1945 hebben er grote veranderingen plaatsgevonden in het gehucht en zijn er campings en bungalowparken aan de zuidzijde verrezen.
Ook Rinnegom is een gehucht in de binnenduinrand. In de 10e eeuw wordt het al genoemd als nederzetting. Het gehucht heeft een overwegend agrarisch karakter met verspreide bebouwing langs de Herenweg. In de 19e en 20e eeuw is de bebouwing langs de Herenweg vernieuwd en verdicht.
Bij Rinnegom, aan de Herenweg, ligt het Liobaklooster. Het gebouw werd in 1935 gebouwd door C.M. van Moorsel voor een vrouwengemeenschap die zich wilde wijden aan gebed en meditatie. In 1949 werd het gebouw uitgebreid naar ontwerp van de nonnen zelf.
Juist ten noorden van Egmond aan den Hoef ligt het Karmelieter klooster eveneens ontworpen door C.M. Moorsel. Het gebouw werd in 1931 gebouwd en heeft qua materiaalgebruik een functionalistische en qua vorm een traditionele stijl. Ook dit klooster werd bewoond door nonnen.
Kapel van Coswas en Damianus
In Wimmenum werd rond 1220 een devotiekapel gebouwd, gewijd aan Cosmas en Damianus. Cosmas en Damianus waren broers die de geneeskunst beoefenden in Syrië in de 3e eeuw na Christus en allerlei goede werken deden. Om hun geloof werden zij ter dood veroordeeld.
Volgens de volksverhalen zou graaf Willem I van Holland tijdens de 5e kruistocht (1217-1221) in het door zijn troepen veroverde Damiate (Egypte) een beeld van de heilige Cosmas gevonden hebben en dit meegenomen hebben naar Holland. De verering van deze heiligen kwam aan het einde van de twaalfde eeuw naar Nederland, maar in het abdijarchief wordt 1357 genoemd als datum voor de wijding van de kapel.
Het is niet duidelijk hoe deze datum moet worden geïnterpreteerd. De in de fundering van de kapel gebruikte stenen duidden namelijk op bouw van de kapel in de 13e eeuw. Mogelijk werd de kapel in 1357 van een kapel voor Cosmas in een kapel voor Cosmas en Damianus gewijd en werd de kapel in die tijd uitgebreid. In 1865 werd de kapel door brand verwoest, maar de plaats van de kapel is nog altijd aanwijsbaar.
Nijverheidsfuncties langs de duinrellen
Het schone duinwater was ook al vroeg een bekend fenomeen. Dit water stroomde in beken uit de duinen naar de polders toe. Het schone water kon een goede bron van inkomsten bieden. Langs de tot duinrellen vergraven duinbeken ontstonden daarom diverse nijverheidsfuncties.
(de legenda is niet duidelijker te maken, helaas)
Bij Egmond-Binnen is nog een aantal bleekvelden te vinden. Het duinwater werd gebruikt door de wasserijen, waarna de was in de velden tegen de duinen aan in de zon te drogen werd gelegd om het te bleken.
Ook papiermolens konden het schone duinwater goed gebruiken in het procédé. Bij de Hoevervaart, bij De Roosloot en bij Bregtdorp zijn terreinen bekend waar papiermolens gestaan hebben.
Ten slotte werd het water ook gebruikt voor de bierbrouwerij. In de huidige gemeente Bergen hebben geen bierbrouwerijen bestaan, maar bij Schoorl heeft tot het begin van de 20e eeuw een Schoorldam een waterhuisje gestaan waar de Alkmaarse bierbrouwers het duinwater konden aftappen.
Buitenplaatsen
In de binnenduinrand werden vanaf de 17e eeuw diverse buitenplaatsen aangelegd. Schuilenburg, bij Wimmenum gelegen, is nog de meest herkenbare buitenplaats. Maar ook Waterrijk en Vredensteijn, namen die nu aan boerderijen gegeven zijn, verwijzen naar buitenplaatsen die hier eerder gelegen hebben.
Resten van militaire activiteiten
In de binnenduinrand zijn ook resten terug te vinden van militaire activiteiten. Langs de Herenweg liggen verspreid enkele bunkers die dateren uit de Tweede Wereldoorlog. Tevens ligt er ten
noorden van Egmond aan den Hoef een klein stukje draketandversperring.
Aanbevelingen
- In de binnenduinrand hebben zich veel functies geconcentreerd. Het gebied was aantrekkelijk voor bewoning. Voortborduren op de concentratie van functies in dit gebied is mogelijk, mits duidelijk blijft dat de binnenduinrand een overgangsgebied vormt tussen de duinen en de polders. Zichtrelaties met beide landschapseenheden is hierbij belangrijk.
- Naast de dorpen in de binnenduinrand komt er ook een aantal gehuchten voor. Deze liggen tussen Bergen en Egmond-Binnen. Wimmenum is in de 20e eeuw het meest gegroeid.
Het Woud is het gehucht waarin het agrarische karakter nog het meest herkenbaar is. - In de binnenduinrand hebben diverse buitenplaatsen gelegen. In de huidige tijd kan hierop worden voortgeborduurd met de aanleg van nieuwe landgoederen. Belangrijk is daarbij te
bekijken hoe de landgoederen eerder werden aangelegd. De buitenplaatsen bestonden veelal uit een hoofdgebouw en een paar bijgebouwen. Het bouwen van bungalows in een groen park of rijenwoningen in een groene omgeving zal daarom niet volstaan.
3.2. De polders, park en landbouwgrond
Naast het huis met de directe tuin maken ook park en landbouwgrond onderdeel uit van een lusthof. Op de landbouwgronden worden exotische producten geteeld en producten die gebruikt
worden in de keuken. De oostzijde van de gemeente Bergen bestaat uit polders. Het zijn de laaggelegen strandvlaktes die door middel van kunstmatige bemaling voldoende droog gehouden worden voor gebruik (Polders zijn gronden die door middel van kunstmatige waterbeheersing worden droog gehouden. Droogmakerijen zijn een soort polders. Zij worden niet alleen droog gehouden, maar zijn eerder drooggelegd. Iedere droogmakerij is een polder, maar niet iedere polder is en droogmakerij.).
In de strandvlaktes vormde zich tussen 3000 en 1000 jaar voor Christus veen door de natte omstandigheden in deze lager gelegen delen. Na die tijd werd door het Oer-IJ klei afgezet over het
veen heen. Dit water sloeg op plaatsen ook veen weg. Aan de zuidzijde van de gemeente Bergen ontstonden het Berger- en Egmondermeer en diverse geulen van het Oer-IJ. In de ondergrond is
hier geen veen meer te vinden. Aan de noordzijde van Bergen werd meer veen afgezet. Vanaf de Middeleeuwen werd dit veen zo nu en dan overstroomd door de Rekere en dichter bij zee door het water in het Zeegat Zijpe. Bij deze overstromingen werd klei afgezet en sloeg het water ook veen weg. Onder de klei ligt veelal nog veen.
Oer-IJ en Rekere
Vanaf de Vroege Middeleeuwen waren voor de ontwikkeling van de polders 2 rivierarmen van belang: het Oer-IJ en de Rekere. Het Oer-IJ stroomde vanaf het huidige Amsterdam naar het westen en noord-westen. De monding in zee lag bij het huidige Castricum, maar in de Vroege Middeleeuwen was er ook een zijtak naar het noorden tot aan Egmond-Binnen. Deze zijtak van het Oer-IJ stond in verbinding met het Egmondermeer.
Wanneer het Oer-IJ zijn monding in zee verloor is niet duidelijk, mogelijk aan het einde van de Vroege Middeleeuwen. De kreek bleef echter nog bestaan en stond in verbinding met het zich in de 12e en 13e eeuw uitbreidende Almere (Het Almere kwam later in verbinding te staan met de Noordzee. Vanaf die tijd werd het Zuiderzee genoemd.).
Het water uit het Almere stuwde bij tijd en wijle in het IJ op en veroorzaakte wateroverlast tot bij Egmond. Restgeulen van het Oer-IJ bleven bestaan als laagten in het landschap, soms als watergangen. Sommige van de restgeulen zijn later vergraven tot vaarten, zoals de Hoevervaart.
De Rekere was noord-zuid gericht en stroomde tussen Alkmaar en het wad dat nu is ingepolderd als de polder Zijpe. De invloed van de Rekere op het gebied werd groot toen het Zeegat Zijpe in de 9e of 10e eeuw ontstond bij Petten en de Rekere hiermee in verbinding kwam te staan.
In de 12e en 13e eeuw, toen het zeegat zijn grootste omvang kende, vormde het de grootste bedreiging voor het achterliggende land. In het westen van West-Friesland was er al vrij snel sprake van wateroverlast vanuit de Rekere. Men wierp terpen op om de huizen te beschermen tegen het water.
In Schoorl zijn geen terpen opgeworpen, omdat men hier al hoger woonde. De strandvlakte zal echter net als het West-Friese land wel overstroomd zijn. Door de verbinding met de Noordzee verwijdde de monding van de Rekere zich tot een trechtervorm. De verbinding die de Rekere vormde tussen de Noordzee en het Schermeer (de huidige Schermerpolder) veroorzaakte een gevaarlijke situatie, doordat een vrij groot binnenwater in rechtstreekse verbinding stond met de zee.
Het zeewater kon tot bij Alkmaar worden gestuwd, waarmee ook wateroverlast in het poldergebied tussen Camperduin en Egmond optrad. Aan het begin van de 13e eeuw werd al een poging ondernomen om de Rekere bij Schoorldam af te dammen. Deze poging mislukte echter. De Rekere werd uiteindelijk in 1264 afgedamd van het Zijpe bij Krabbendam.
Het Zijpe verlandde in de loop van de 14e eeuw en rond 1360 was de kustlijn zelfs gesloten, maar het zeegat ondervond hernieuwde zeeinvloed na de St. Elizabethsvloed van 1421. Daarna bleef het zeegat bestaan, totdat door de bedijking de polder Zijpe in de 16e eeuw ontstond. Tijdens de stormvloed van 1421 werden de duinen ter hoogte van de huidige Hondsbossche Zeewering weggeslagen en verdween het dorpje ‘Pethem dat Hondsbosch hiet’ – een van de dorpjes van Petten.
Dijken om de hogere gronden
Dijken zijn in de strandvlakte van groot belang geweest. Door de aanleg van dijken werden in de loop der tijd de strandvlaktes ingepolderd, waarmee het mogelijk werd de waterhuishouding
kunstmatig te regelen. Eerder werden echter al dijken aangelegd ter bescherming van de bewoners van de strandwallen.
Het verhaal van de dijken in de strandvlakte van de huidige gemeente Bergen, kan niet worden verteld zonder het noemen van de Zanddijk, die tegenwoordig in de gemeente Castricum gelegen is.
Deze Zanddijk werd aan het einde van de 11e eeuw aangelegd op het smalste punt tussen 2 strandwallen door de monniken van de abdij van Egmond om zich te weren tegen overstromingen vanuit het Oer-IJ. De dijk werd daarmee echter ook op een laag punt aangelegd, zodat het water als het tegen de dijk opstuwde niet kon wegvloeien naar een lager punt. De plaats van de dijk was daarmee ongelukkig. (zie figuur 32).
De wateroverlast kwam uit het Oer-IJ of uit de Rekere. Als de dijk de inwoners van Egmond beschermde tegen wateroverlast, betekende dat juist wateroverlast voor de inwoners van Castricum en omgeving. Terwijl bij wateroverlast uit het noorden de inwoners van Castricum en omgeving beschermd werden door de dijk en men in Egmond overlast ondervond. De Zanddijk was dan ook meer een waterscheiding dan een waterkering, omdat het water dat eenmaal tegen de dijk kwam geen mogelijkheid had om via een lager punt weg te vloeien.
Tussen ongeveer 1050 en 1150 vond de eerste dijkaanleg in het gebied plaats. Deze dijken volgden ongeveer de buitenzijde van de strandwal en waren aangelegd om de dorpen en akkers op de strandwal te beschermen tegen het zoute water dat via de Rekere landinwaarts drong. Tussen Schoorl en Hargen werd hiervoor de Oude Dijk aangelegd en tussen Egmond-Binnen en Wimmenum de Hoge Dijk (Hoge Dijk – Kromme Hoge Dijk – Kromme Dijk).
Beide dijken zijn niet meer geheel te herkennen als dijk. Van de Hoge Dijk is in het noorden een deel afgegraven, zodat hij daar nog slechts op luchtfoto’s zichtbaar is. Bij Groet is de Oude Dijk verdwenen. Bovendien hebben de Slaperdijk van de Hondsbossche Zeewering en de Hargervaart hier een doorsnijding van de oude dijk gebracht. De Oude Dijk liep aan de westzijde van de Slaperdijk door in de huidige Kleiweg. In het landschap is nog wel de vorm te herkennen in een waterloop.
Aan de zuidzijde van de haakwallen van Bergen werden vermoedelijk in de loop van de 12e eeuw de Nesdijk en het Wiertdijkje aangelegd als bescherming tegen het water van het steeds
groeiende Bergermeer.
3.2.1. Strandvlakte, polders ten noorden van Bergen
De strandvlakte is de vlakte die is gelegen tussen de strandwallen (zie figuur 1, hoofdstuk 2). Tot in de Romeinse Tijd zijn delen van de strandvlakte bewoonbaar geweest. Voornamelijk bij Groet, Hargen en Camp zijn resten gevonden die wijzen op bewoning in de Late IJzertijd en de Romeinse Tijd.
Men woonde in die tijd op het veen, dat vermoedelijk van nature een goede ontwatering had. Ook bij Catrijp liggen goed bewaarde resten van bewoning uit de Late IJzertijd en Romeinse Tijd en langs de Banscheidingsloot bij Aagtdorp ligt een terrein waarin bewoningssporen uit de Romeinse Tijd bewaard zijn gebleven. Na 1500 is hierop een nieuw huis gebouwd en in de Tweede Wereldoorlog werd in het terrein een tankgracht gegraven.
Ten slotte ligt in de Egmondermeer een stuk oud land waarin mogelijk resten van bewoning uit de Vroege IJzertijd gevonden zijn. Na de Romeinse Tijd werden de omstandigheden in de strandvlakte en het gebied ten oosten daarvan te nat om er te blijven wonen. Men woonde vanaf die tijd vrijwel uitsluitend op de strandwallen waar het hoog en droog was.
Dit betekent overigens niet dat de strandvlakten niet meer gebruikt werden. Men zal het gebied vanaf de Vroege Middeleeuwen, voor zover mogelijk, gebruikt hebben als gezamenlijke weide- en hooigrond. Het gebruik van de strandvlakte als gezamenlijke grond heeft geen sporen in het landschap achter gelaten. Later werd de grond van de strandvlakten echter stukje bij beetje ingepolderd en verdeeld onder de bewoners. Voordat deze verdeling plaats had, heeft men dijken aangelegd om de grond te beschermen tegen wateroverlast.
Dijken in de strandvlakte
In de 12e eeuw werden de eerste delen van de strandvlakte bedijkt. Zanegeest was via de Doodweg met de kerkbuurt verbonden in die tijd. In de twaalfde eeuw werden laaggelegen delen van deze Doodweg (of Zaandergeesterkerksteeg) opgehoogd en ontstond de Kerkdijk. Vanuit Zanegeest werden vervolgens de Oudedijk, Hooidijk en Zeugdijk naar het noorden toe aangelegd, die nu gezamenlijk Schapenlaan worden genoemd (zie figuur 10, hoofdstuk 2). Met de aanleg van deze dijken, die in Aagtdorp op de strandwal aansloten, werd de inpoldering van de eerste polder in dit gebied gerealiseerd: de Oudburgerpolder.
In de 13e eeuw werd de polder aan de oostzijde uitgebreid door de aanleg van de Groenedijk en de Klaassen- en Evendijk. Aan de oostzijde sloot de Groenedijk aan op de Evendijk, die langs
de Rekere was aangelegd in de 12e of 13e eeuw en die tussen Schoorl en Schoorldam aansloot op de hogere strandwalgronden.
Ten noorden van Schoorldam had de Rekere de meest directe invloed op de strandvlakte. In de loop van de 12e eeuw had men hier de Oudedijk aangelegd op de overgang van de
binnenduinrand naar de strandvlakte. Ten noordwesten van Groet werd aan het einde van de 12e eeuw de Abtskoog bedijkt, waarvan de dijk even ten oosten van de huidige Slaperdijk en
Hargervaart lag.
Tussen Camperduin en Petten is van de situatie van de Vroege Middeleeuwen niet veel bewaard gebleven door de inbraken van de zee en het verdwijnen van de duinen tussen Camperduin en Petten. De Nessedijk/Houtendijk is vermoedelijk nog een 13ee-eeuwse dijk.
In de 13e eeuw ging de aanleg van dijken in de strandvlakte onverminderd door. Het Zakedijkje ten zuiden van Zanegeest werd aangelegd, waarmee een kleinere voorloper van de latere Zuurvenspolder werd beschermd.
De Zuurvenspolder werd beschermd door de Oosterdijk en de Zuurvensdijk. De Schoorlse Zeedijk werd eveneens in deze eeuw aangelegd. Delen ten zuiden van Petten waren al in de 12e eeuw aangelegd. Deze dijk was van groot belang om de Rekere buiten het gebied van Hargen, Groet en Schoorl te houden.
Voor 1264 liep de Schoorlse Zeedijk tot aan Schoorldam, waar de dijk vermoedelijk op een afdamming van de Rekere aansloot. Deze afdamming bij Schoorldam is echter mislukt. In 1264 werd de Rekere bij Krabbendam afgedamd met de Rekerdam. Het zuidelijke deel van de Schoorlse Zeedijk heette daarna Tarwedijk.
In de huidige Vereenigde Harger- en Pettemerpolder werd vermoedelijk in 1231 het land ‘Weich’ in leen uitgegeven aan Nicolaas Persijn en Willem van Egmond. Dit stuk grond ten westen van de Vaaldersweg en ten zuiden van de Schoorlse Zeedijk werd vervolgens bedijkt en verkaveld. De Mosterdweg is nog een restant van de dijk van Weich.
De gronden tussen de Tarwedijk, Evendijk, Klaassen- en Evendijk en de Westfriese Omringdijk werden in de zestiende eeuw bedijkt en voor landbouw geschikt gemaakt. De Rekere was in die
tijd vergraven tot de Koedijkervaart. Dit werd mogelijk door de dichtslibbing en bedijking van de Zijpe.
Naarmate er nieuwe dijken werden aangelegd die nieuwe stukken land tegen het water beschermden, verloren de daarachter gelegen dijken hun waterkerende functie.
Water binnen de strandvlakte
Behalve het weren van water uit de strandvlakte, was ook het afvoeren van water van belang. Er werden dan ook weteringen en andere watergangen gegraven in het gebied om te komen tot een
goede waterhuishouding. Het water werd vanuit de polders via een systeem van sloten en weteringen afgevoerd. In de Middeleeuwen werd hiervoor gebruik gemaakt van natuurlijke hoogteverschillen.
Door de aanleg van dijken werd het mogelijk de waterstanden kunstmatig te reguleren, omdat het mogelijk werd de waterstanden in verschillende polders los van elkaar te regelen met het in- en uitlaten van water door sluisjes en duikers. De weteringen, bredere watergangen waarin het water uit meerdere sloten werd verzameld, werden vanaf de Late Middeleeuwen aangelegd en dienden om het water uit de polders naar buiten te transporteren.
Deze watergangen kunnen verschillende namen hebben, bijvoorbeeld wetering, vaart, tocht of sloot. Door verschillen in waterstanden kon het water naar het buiten de polder gelegen water worden afgevoerd, de boezem (Boezem(water) is een stelsel van wateren dat zowel van het buitenwater als van het aangrenzende land is afgesloten en dient voor tijdelijke waterberging.).
Via de boezem werd het water verder getransporteerd, totdat het uiteindelijk in de zee terecht kwam. Het Berger- en het Egmondermeer deden voor de drooglegging dienst als boezem voor de strandwallen zowel ten westen als ten oosten ervan.
In de 15e eeuw werd de poldermolen uitgevonden, waarmee het mogelijk werd het water op kunstmatige wijze omhoog te malen en op het water buiten de polder uit te malen. In de 15e eeuw waren poldermolens in het Hollandse land echter nog vrij zeldzaam. Pas in de 16e eeuw werden op grotere schaal molens gebouwd, terwijl het hoogtepunt van de molenbouw in de eerste helft van de 19e eeuw lag.
Vanaf de 16e eeuw kregen de molens ook de voor ons zo bekende achtkantige vorm met een draaibare kap. Met de bouw van de molens werden ook molentochten, -sloten en –weteringen aangelegd. Deze molenwatergangen dienden om het water uit de polder te verzamelen en naar de molen te transporteren. Als molensloten nog bestaan bij de molen geeft dit een goed beeld van de waterhuishoudkundige ingrepen van de afgelopen eeuwen.
In de 2e helft van de 19e eeuw werd een begin gemaakt met de afbraak van molens, nadat zij vervangen waren door gemalen. In de 20e eeuw
werden molens op grotere schaal vervangen door stoom-, diesel- en later elektrische gemalen.
Bouwkundig is het gemaal aan de zuidoostzijde van het militaire vliegveld in de Bergermeer bijzonder. Dit gaat zo goed als geheel schuil in de dijk, zodat het vanuit de lucht niet waarneembaar is.
Het gemaal werd gebouwd in 1939 om het polderpeil van het vliegveld los van de rest van de Bergermeer te kunnen regelen. Hoewel het gemaal niet meer in bedrijf is, zijn de diesel- en elektromotor nog aanwezig. Dit Bunkergemaal Bergermeer is wellicht de enige in zijn soort in heel Nederland en is in ieder geval zeer zeldzaam.
De tijdelijke opslag van water in de boezem kon in natte perioden voor hoge waterstanden in die boezem zorgen, vooral als lozing vanuit de boezem op het buitenwater niet mogelijk was. Bij hoge waterstanden in de boezem dreigde dan ook de overstroming van de gebieden die erlangs lagen. Bovendien was de boezem door de drooglegging van een groot aantal meren (zoals de Schermer, de Beemster en het Berger- en Egmondermeer) in de 16e en 17e eeuw sterk verkleind.
In 1795 werd een seinsysteem met overdag vlaggen en ’s nachts lampen bedacht om binnen het gebied van de Schermerboezem (Het gebied van de Schermerboezem lag grofweg tussen Zaandam, Edam, Alkmaar en de duinen.)48 de polders te beschermen tegen overstromingen vanuit de boezem. Het seinsysteem werd uitgevonden om aan te geven wanneer het maalpeil was
bereikt en de molens niet langer het water op de boezem konden lozen in verband met overstromingsgevaar.
De vlaggen werden aan de molens opgehangen. Na het bouwen van gemalen, die niet zo hoog zijn als molens, werden seinmasten gebouwd om de vlaggen hoog genoeg te kunnen hangen om de seinen door te geven. Bij Aagtdorp, aan het Noordhollands Kanaal, is nog een dergelijke seinmast bewaard gebleven, die is aangewezen als provinciaal monument.
De Hondsbossche Zeewering
Opvallend element in de noordelijke polders van de gemeente Bergen is de Hondsbossche Zeewering en de bijbehorende Slaperdijk. In de 14e eeuw hoorde het gebied rond de huidige Hondsbossche Zeewering onder Petten. Er lag een buurschap dat Hondsbosch werd genoemd.
De kust lag 3 kilometer westelijker dan nu en bestond uit een smalle duinenrij. ‘Pethem dat Hondsbosch hiet’ werd in een stormvloed in 1422 verzwolgen door de zee. De situatie was zo als gevolg hiervan zo bedreigend voor het gebied tot aan Zaandam, dat de graaf van Holland in 1424 opdracht gaf aan inwoners van het gehele graafschap om aan de bedijking bij Petten te komen werken.
In 1432 kwamen er zelfs mannen uit Rijnland – het gebied ten zuiden van Haarlem – om mee te werken aan het aanleggen van een zanddijk. Deze zanddijk diende als een slaperdijk achter de toen nog zeer smalle duinenrij en was de voorloper van de huidige Hondsbossche Zeewering.
Anders dan bij de dijken, waarvan het onderhoud moest worden verzorgd door degenen die door de dijk werden beschermd, was het onderhoud van de duinen in handen van de graaf. In de jaren na 1422 riep hij steeds vaker mannen uit Kennemerland op om de duinen en de slaperdijk te komen onderhouden. Dit kon echter niet verhinderen dat de duinen steeds verder wegsleten
gedurende de 15e eeuw.
Nadat een deel van de duinen was weggeslagen werd het overgebleven gedeelte steeds bewerkt om nieuwe afslag door de zee te kunnen opvangen. De duinenrij werd gestadig verder landinwaarts verschoven doordat aan de zeezijde zand werd afgeslagen en men aan de landzijde versterkingen aanbracht.
In de jaren 60 van die eeuw waren de duinen bij Camperduin zelfs niet breder dan dertig meter. Mensen en geld vinden om hier de duinen en dijk te onderhouden werd echter steeds moeilijker, omdat het een onzinnige onderneming leek om hier de kustlijn intact te houden, terwijl het land erachter nauwelijks bruikbaar en bewoond was.
In 1466 werd een Slaperdijk aangelegd achter de bestaande dijk, toen al Hondsbossche Zeewering geheten, om bij eventuele doorbraken het binnenland van Holland alsnog te kunnen beschermen. Tijdens de Allerheiligenvloed van 1570 bewees de Slaperdijk zijn diensten. De Hondsbossche Zeewering brak door, maar de Slaperdijk hield in deze stormvloed stand.
In het begin van de zestiende eeuw werd het defensieve systeem van kustverdediging verlaten.
Met paalhoofden en paalwerken werd op meer offensieve wijze de kust verdedigd tegen de zee. Na die tijd is de Hondsbossche Zeewering nog wel verder naar het oosten gelegd. In 1792 kreeg
de dijk haar huidige plaats. Ook na 1792 werd de dijk nog regelmatig onderhouden en verzwaard. De laatste verzwaring vond plaats tussen 1977 en 1981, waarbij de dijk op Deltahoogte werd
gebracht.
Verkaveling
De strandvlakten kennen twee soorten verkaveling, te weten een strokenverkaveling en een onregelmatige blokverkaveling. De strokenverkaveling is te vinden tussen Bregtdorp en Aagtdorp,
terwijl de rest van de polders een onregelmatige blokverkaveling hebben.
Ten noorden van Bergen werd in de strandvlakte veen gevormd. Dit werd met een strokenverkaveling ontgonnen (zie beschrijving in Chronologische geschiedenis). Van dit veen is nu niets meer aan de oppervlakte terug te vinden, slechts de verkaveling tussen Bregtdorp en Aagtdorp wijst hier nog op. Het veen kan zowel verdwenen zijn door de ontginning ervan als door de overstromingen door de Rekere.
Tussen Bregtdorp en Camperduin is de grond verkaveld in onregelmatige blokken. Of deze onregelmatige blokverkaveling vanaf het begin van de ontginningen heeft bestaan is niet duidelijk. De onregelmatige blokverkaveling is wel kenmerkend voor gebieden als deze, waarin klei aan de oppervlakte ligt en er veel wateroverlast is geweest.
Bewoning
De meeste dorpen liggen op de strandwal in de gemeente Bergen. Schoorldam vormt hierop een uitzondering. Het dorp is ontstaan in relatie met de waterweg de Rekere en later Koedijkervaart en Noordhollands Kanaal. Hoewel de afdamming van de Rekere bij Schoorldam in de 12e eeuw mislukte is hier toch een nederzetting ontstaan, die bovendien in de naam een verwijzing naar de dam draagt. Tot halverwege de 19e eeuw kende Schoorldam nauwelijks bebouwing.
De aanwezige bebouwing zal voornamelijk agrarisch van karakter geweest zijn. Aan het begin van de oostelijke toegangsweg naar Schoorl was een tol gevestigd. Het tolhuis is nog aanwezig. Tot 1900 nam de agrarische bebouwing in Schoorldam toe. Tussen 1900 en 1940 werden ook woonhuizen gebouwd, met name langs het Noordhollands Kanaal en langs de noordzijde van de Damweg.
Mogelijk heeft de aanleg van de tramlijn in 1913 ook bijgedragen aan de woonbebouwing tussen de Na 1945 werd binnen de bestaande structuur bebouwing vervangen en trad verdichting op. Door de uitbreiding van Schoorl in de afgelopen decennia zijn Schoorl en Schoorldam vrijwel aan elkaar vastgegroeid.
In het buitengebied is vanaf het begin van de 20e eeuw ook gebouwd. Deze bebouwing bestaat merendeels uit agrarische bebouwing, die over algemeen langs het Noordhollands Kanaal gelegen is. De bebouwing in de polders ligt zeer verspreid.
Bijzondere bewoning in de strandvlakte wordt gevormd door het Huis Poelenburg in Aagtdorp. Mogelijk werd hier in 1345 het slot Poelenburg, ook wel Huis te Eechtrop genoemd, gebouwd. Dit versterkte huis zou ten zuiden van een boerderij die dezelfde naam droeg gelegen hebben. Het huis zou zijn verbrand (Er is hierover weinig bekend. De vermoedens zijn gebaseerd op literatuur. Er heeft nooit en archeologisch onderzoek plaatsgevonden.).
In de 17e of 18e eeuw werd een herenhuis opgetrokken onder de naam Huis Poelenburg. Indien er daadwerkelijk een Middeleeuws versterkt huis heeft gestaan zal het nieuwe huis Poelenburg
opgetrokken zijn op de funderingen van de Middeleeuwse voorganger. Het herenhuis was een vierkant gebouw omgeven door een gracht.
In de 14e eeuw was het geslacht Poelenburg schout van Alkmaar. Het was met andere woorden een geslacht van hoog aanzien. Het geslacht was verwant aan de Brederodes, die onder andere heren van de heerlijkheid van Bergen waren. In de loop van 19e eeuw raakte het herenhuis in verval, waarna in 1893 de resten werden opgeruimd.
In Aagtdorp heeft ook het huis Hazendaal gestaan. Bij dit huis hoorde een groot bezit met bos en duinen. Het huis werd in de 18e eeuw afgebroken.
Wegen
Zoals in vrijwel geheel Noord-Holland hebben in de strandvlakte van de huidige gemeente Bergen vanaf de Middeleeuwen vooral waterwegen een belangrijke rol gespeeld in het vervoer. Vervoer over land was in dit laaggelegen deel vaak minder snel en de wegen waren er vaak onbegaanbaar, zodat waterwegen – die toch al veel voorkwamen in het gebied – een goed alternatief waren.
De Hargervaart, Hondsbossche Vaart en het Noordhollands Kanaal zijn in het gebied van de voormalige gemeente Schoorl van groot belang geweest. De Hargervaart werd aangelegd om het zand uit het Hargergat te kunnen vervoeren. In eerste instantie werd de Oude Hargervaart hierop aangesloten en in de negentiende eeuw de Nieuwe Hargervaart.
Mogelijk was de Oude Hargervaart toen dichtgeslibd. De Oude Hargervaart lag aan de westzijde van de Hondsbossche Slaperdijk, terwijl de Nieuwe Hargervaart aan de oostzijde hiervan gelegen is. De Hondsbossche Vaart werd gegraven om materialen voor de werkzaamheden aan de Hondsbossche Zeewering te vervoeren. Tevens sloot deze vaart aan op de Hargervaart en werd het zand uit het Hargergat via de Hondsbossche Vaart verder vervoerd.
Het Noordhollands Kanaal werd gegraven tussen 1819 en 1825 en volgt in de gemeente Bergen de bedding van de Rekere. De Rekere werd al langere tijd gebruikt voor de scheepvaart. In 1531 werd de restgeul van de Rekere vergraven tot de Koedijkervaart. In de 19e eeuw werd deze vaart verbonden met andere waterwegen in Noord-Holland om het Noordhollands Kanaal te gaan vormen, dat een verbinding vormde tussen Amsterdam en Den Helder.
Het station van Schoorl aan de tramlijn, die in de twintigste eeuw was aangelegd, was gelegen tussen Schoorl en Schoorldam. De lijn verbond Alkmaar via Koedijk, Schoorl en Warmenhuizen
met Schagen. Deze lijn werd in 1913 geopend en in Schoorl bleef de lijn voor personenvervoer behouden tot 1948. Daarna bleven de trams rijden voor het goederenvervoer tot 1968. De naam
Stationsweg, een woonhuis met de naam Spoorzicht, de vorm van het voormalige emplacement en delen van het tracé die zichtbaar zijn in de verkaveling herinneren nog aan de tramlijn bij Schoorl.
Vanaf 1875 tot 1959 was er in Schoorl een werkspoor op de Hondsbossche Zeewering aanwezig. Resten van dit spoor zijn niet meer in het landschap aanwezig.
Resten van militaire activiteiten in het landschap
Verspreid over het gebied zijn diverse sporen van militaire activiteiten terug te vinden. Zo zijn in de polders bij Groet en Hargen resten van een tankversperring en een tankgracht te vinden en is bij de Schoorlse Zeedijk een aantal gemetselde manschappenverblijven en een betonnen bunker te vinden.
3.2.2. Droogmakerijen en aandijkingen, polders ten zuiden van Bergen
In 1196 verdwenen de strandvlaktes in de huidige gemeente Bergen onder het zeewater tijdens de Nicolaasvloed. De verzilting van de grond als gevolg hiervan – mogelijk ook als gevolg van
geregelde overstromingen met zout water uit het Rekere sinds het begin van de 12e eeuw – was schadelijk voor de landbouw in de strandvlaktes. In een oorkonde van de Hollandse graaf Willem I van circa 1212 worden de gedaalde landbouwopbrengsten aan het einde van de 12e eeuw genoemd. Waarschijnlijk werd na de ramp van 1196 een dijk aangelegd tussen Bergen en Alkmaar, de huidige Kogendijk.
Het bijzondere van deze dijk schuilt hierin, dat het de eerste dijk was met een beschermingsgebied groter dan één dorp. De Koogdijk-Zuurvensdijk-Haleweg weerde de bedreiging vanuit de
Rekere voor de dorpen Egmond aan den Hoef, Egmond-Binnen en Wimmenum en het buurschap Rinnegom af. De Zanddijk, die ondanks de ruzies erover bleef bestaan, schermde het gebied aan de zuidzijde af van invloed vanuit het IJ. Het verdwijnen van de invloed van de Rekere en het IJ in de Berger- en Egmondermeren leidde tot het verlanden van de meren.
Het plassengebied diende in die tijd nog altijd als boezemwater voor het omliggende gebied. Water uit de duinen en de binnenduinrand van de strandwallen aan de oostzijde van de meren werd
hierin geloosd. De enige uitwatering was via de Kwakelsluis, aan het einde van de Lange en Korte Sloot, op de noordelijke stadsgracht van Alkmaar. Toen in 1531 de Rekere vergraven werd tot
Koedijkervaart en er een sluis (Deze sluis verving een kleinere spuisluis in een, mogelijk al in het begin van de dertiende eeuw, aangelegde dam.) gelegd werd ter hoogte van huidige vlotbrug, betekende dit een sterke verbetering van de waterafvoer richting Zijpe.
Hiermee werd de eerste fase van de poldervorming van het Berger- en het Egmondermeer ingezet. Ten noorden van de Kwakelsluis werden in 1532-33 de Brantgen Jan Heiniszmolens gebouwd, die het overtollige water uit de meren pompte. De abt van Egmond was een van de partijen die zich tegen de komst van deze molens verzette. Hij vreesde verminderde inkomsten uit de visrechten, maar verloor de strijd voor de Grote Raad in 1536. Ondertussen werd op particulier initiatief rond de meren al moerasland ingedijkt, zoals de Beerhemmerpolder onder Egmond aan
den Hoef en een gedeelte van het Wymnemmerwalt (Het Gadefers Molentgen was hier omstreeks 1560 de rechtstreekse voorganger van de Philisteinse molen.)
De tweede fase van poldervorming werd ingezet met de actieve bemoeienis van de toenmalige heer van Bergen, Hendrik van Brederode, en zijn compagnon Lamoraal van Egmond, tevens zijn
politieke geestverwant. In 1563 werd begonnen met de drooglegging van de meren. In 1564 en 1565 werd gewerkt aan de ringsloten en –dijken rond de beide meren. Er werden drie molens gebouwd, die de Brantgen Heiniszmolens vervingen en in samenspraak met Alkmaar werden de Houtvaart en de Melksloot (langs de grens van de Sluispolder) aangelegd en de Lamoraalsluis
gebouwd die de uitwatering van de polder en vanuit de stad Alkmaar verbeterden.
In 1566 was de drooglegging van de Berger- en de Egmondermeer voltooid. Met de Allerheiligenvloed van 1570 kwam de polder echter weer onder water te staan. Van drooglegging kon daarna geen sprake zijn vanwege de politiek roerige tijden. De gouverneur van Willem van Oranje, Diederik van Sonoy, zou opnieuw droogleggen van de polders niet goedgekeurd hebben, omdat de meren de opmars van de Spanjaarden naar Alkmaar konden breken. Bovendien waren de beide initiatiefnemers van de drooglegging in de tussentijd overleden. Aan het eind van de jaren 70 van de 16e eeuw werkte een groep belanghebbenden samen om de meren opnieuw te bedijken. De werkzaamheden voor de Bergermeer stonden onder leiding van de rentmeester van de goederen van Brederode, Willem van Sonnenberch. Voor het Egmondermeer nam Sabina van Egmond, weduwe van Lamoraal van Egmond het initiatief in de hernieuwde drooglegging. Men kwam in 1578 tot een akkoord, waarna de gronden in 1579 weer droog kwamen te liggen.
Dijken
De droogmaking van de Egmonder- en Bergermeer maakten de waterbeheersing in de oudere landerijen eromheen moeizaam. Het gebied tussen de Hoge Dijk, de Nesdijk, het Wiertdijkje, de Koogdijk, de strandwallen van Alkmaar en Heiloo en de Zanddijk waterden nu af op één boezem.
Door de drooglegging werd de waterbeheersing moeilijk, omdat meer water moest worden afgevoerd en minder boezemwater beschikbaar was. Bovendien was deze boezem aan de Schermerboezem gekoppeld, dat de boezem vormde voor een groot deel van Noord-Holland en waarin ook steeds meer van het water werd drooggelegd. In de loop der tijd werd het gebied van de Egmonder- en Bergermeer in kleinere polders gedeeld. Zo ontstonden de:
- Vennewaterspolder
- Sammerspolder
- Baafjespolder
- Maalwaterpolder
- Egmonder Bovenpolder
- Beerhemmerpolder
- Wimmenummerpolder
- Philisteinsepolder
- Damlanderpolder
- Sluispolder
- Huiswaardpolder
- Wezenpolder
- Vredepolder
- Kijfpolder en
- Varnebroekpolder.
Iedere polder werd een aparte bemalingseenheid afgescheiden door kleine kaden. Het beloop van de kaden was geografisch of door eigendomsgrenzen bepaald. De Egmondermeer bestaat technisch gezien uit 3 polders:
- Bosmolenpolder
- Geestmolenpolder en
- Visserijmolenpolder.
Ieder van deze polders kende een eigen molen die de uitwatering ervan regelde. De Zuidermeerpolder en de Sammerspolder zijn aandijkingen. De precieze geschiedenis van deze polders is niet duidelijk, maar ze zijn vermoedelijk ook in de 16e eeuw drooggemaakt door de eigenaren en verkaveld als vervolg op de droogmaking van de Berger- en de Egmondermeer. Aan het einde van de 17e eeuw was hiermee (vrijwel) het gehele grondgebied van de huidige gemeente Bergen bedijkt.
Verkaveling
Het gebied ten zuiden van Aagtdorp kent, met uitzondering van delen van de Bergermeerpolder en de Bosmolenpolder, een onregelmatige blokverkaveling. Dit vrij natte gebied met veel plassen, een kleiige bodem en restgeulen van het Oer-IJ zal vanwege de natte omstandigheden een onregelmatige verkaveling gekregen hebben. De Sammerspolder en de Zuidermeerpolder zijn
aandijkingen en de Visscherijmolenpolder, Bosmolenpolder, Geestmolenpolder en Bergermeerpolder zijn droogmakerijen.
Deze werden over het algemeen in een regelmatig patroon verkaveld, omdat een verdeling van de gronden ineens mogelijk was. De Bosmolenpolder en delen van de Bergermeerpolder hebben inderdaad een regelmatige verkaveling (in stroken). De onregelmatige verkaveling van de andere genoemde polders kan veroorzaakt zijn door de verschillen in kwaliteit van de gronden bij de drooglegging. In de droogmakerijen zijn ook stukken oud land (Oud land zijn stukken grond die al voor de drooglegging boven het water uitstaken en veelal ook al in gebruik
waren.) opgenomen. Deze zijn nog te herkennen aan de afwijkende verkaveling van deze delen.
Wegen
Net als in de polders ten noorden van Bergen, was men ook ten zuiden van Bergen voor het vervoer in de natte gebieden vooral op het water aangewezen. Bij Egmond zijn de Egmonder
Binnenvaart en de Hoevervaart gegraven. Deze vaarten zijn waarschijnlijk gegraven in restgeulen van het Oer-IJ of in de bedding van duinrellen. Deze werden vergraven om de watergangen
beter bruikbaar te maken voor afwatering, maar ook beter bruikbaar voor de scheepvaart.
Welke functie het meest belangrijk was, is moeilijk te achterhalen bij middeleeuwse watergangen. Waarschijnlijk werden veel vaarten en sloten gebruikt voor zowel de afwatering als voor vervoer. Men gebruikte naast het water ook de dijken om zich over te verplaatsen.
In het gebied liepen ook 2 tramlijnen die in het begin van de 20e eeuw werden aangelegd. Deze lijnen liepen door tot bij de badplaatsen Egmond aan Zee en Bergen aan Zee. De tracés van de tramlijnen van Alkmaar naar Bergen en van Alkmaar naar Egmond aan den Hoef en Egmond aan Zee zijn nog in het landschap waarneembaar.
3.2.2. Droogmakerijen en aandijkingen, polders ten zuiden van Bergen: Resten van militaire activiteiten in het landschap
Resten van militaire activiteiten in het landschap
Behalve de resten van wonen, werken en waterhuishouding zijn in de ten zuiden van Bergen ook elementen te vinden die verwijzen naar militaire handelingen. De meest opvallende is natuurlijk het militaire vliegveld in de Bergermeer, dat in 1937 werd aangelegd onder de dreiging van de Tweede Wereldoorlog.
Voor de aanleg ervan werd een aantal boerenbedrijven onteigend en het onregelmatig verkavelde terrein geëgaliseerd met zand uit de nabijgelegen duinen en met een regelmatige verkaveling ingedeeld. De waterhuishouding werd geregeld via een nieuw gegraven sloot ten oosten van vliegveld.
Het vliegveld werd in 1940 door de Duitsers in gebruik genomen, waarna er aan de bestaande bebouwing bunkers werden toegevoegd. Ook in de Bosmolenpolder zijn 2 betonnen Duitse
bunkercomplexen bewaard gebleven die ter verdediging van vliegveld Bergen dienden en manschappenverblijven en geschutsstellingen herbergden.
Aan de westzijde van het vliegveld werd een Duitse hangar voor de stalling kleine verkenningsvliegtuigen gebouwd. Nadat het vliegveld in 1945 zijn functie verloor werd het gebruikt als complex voor materiaalopslag van Defensie. Verspreid over het gebied zijn verder allerlei restanten van militaire bouwwerken terug te vinden, zoals tankversperringen en bunkers.
Aanbevelingen
- De strandvlakte is altijd een weinig bebouwd landschap geweest, waarin openheid een belangrijk kenmerk was. Als tegenstelling tegen meer gesloten landschappen van de strandwallen met hun bebouwing en de duinen met de hoogteverschillen moet dit herkenbaar blijven.
- In de strandvlakte heeft de agrarische sector een belangrijk aandeel gehad. Met het steeds verder verkleinen van het aandeel van deze sector zal wellicht naar andere mogelijkheden gekeken moeten worden voor het gebruik van het gebied.
- Ruilverkavelingen hebben in het gebied plaatsgevonden, zelfs tot heel recent en zijn noodzakelijk. Bij ruilverkavelingen dient echter rekening gehouden te worden met de bestaande verkavelingstructuur. Het maken van grote blokken in een gebied dat eerder kleinschalig in stroken verkaveld is geweest doet afbreuk aan het karakter van het gebied en dat moet voorkomen worden. Kavelrichting, de mate van openheid van het landschap en de schaal dienen bij een ruilverkaveling te worden betrokken in de afwegingen als gegeven en
niet te worden behandeld als probleem. - De ontwikkelingsgeschiedenis van het noordelijke deel van de polders is anders dan die in het zuidelijke deel van de strandvlakte. Bij eventuele wijzigingen in landgebruik kan hierop worden ingespeeld.
- De Bergermeer is een duidelijk restant van de militaire activiteiten in het gebied. Het is aangewezen als provinciaal beschermd gezicht. Bij een herinrichting van het terrein zou de
militaire geschiedenis – eventueel gekoppeld aan de waterstaatkundige geschiedenis – een inspiratiebron kunnen vormen. - Aan de waterwegen en oude tramwegen kan door middel van kano-, respectievelijk fiets/wandel-/scateroutes aandacht worden besteed. Hiermee wordt niet slechts een cultuurhistorische route gecreëerd, maar ook het gebied op een bijzondere manier ontsloten voor toeristen en recreanten.
- Kustverdediging blijft in Nederland een belangrijk onderwerp, zeker in verband met de stijgende zeespiegel. In dit kader hebben de provincies Noord- en Zuid-Holland samen met
Rijkswaterstaat gewerkt aan de Kustvisie 2050. De Hondsbossche Zeewering blijkt een van de zwakke plekken in de kustverdediging in Noord-Holland te zijn. Er wordt nagedacht over
mogelijkheden om deze zwakke plek op te heffen. Het is noodzakelijk hierover na te denken. Bij deze overwegingen moeten de cultuurhistorische waarden betrokken worden. Het duidelijk zichtbare systeem van zeewering en slaperdijk is een belangrijk onderdeel van de ruimte in Nederland en vertelt een belangrijk verhaal over de wijze van verdediging van de kust in de loop der tijd. Verder dient rekening gehouden te worden met de archeologische waarde van de zeewering zelf en van het gebied er direct achter (zie ook figuur 106)
3.3. Duinen en kust, de woeste gronden van de lusthof
Een lusthof bestond in vroegere tijden niet slechts uit een huis met een tuin of een park en landbouwgrond. Naast deze delen maakte vaak bos of duinen onderdeel uit van het bezit, afhankelijk van de plaats van de lusthof. Deze woeste gronden werden in veel gevallen in de loop der tijd gecultiveerd, maar ze werden voornamelijk gebruikt voor de jacht en grondstoffenwinning.
3.3.1 Duinen en strand
Voorafgaand aan de vorming van de huidige duinen ging de vorming van de strandwallen met daarop de Oude Duinen (zie ook beschrijving Chronologische geschiedenis en Binnenduinrand).
Tot het begin van de Romeinse Tijd (12 voor Christus tot 450 na Christus) vond uitbouw van de kust plaats. De strandwallen werden in deze tijd door de zee steeds verder westwaarts
opgeworpen. Als de strandwallen boven het hoogwaterpeil uitstaken, kreeg de wind vat op het gedroogde zand, waardoor duinen opgeworpen konden worden. Deze duinen kregen een maximale hoogte van ongeveer tien meter boven NAP.
Ongeveer aan het begin van de jaartelling werd de kustlijn van Holland steeds verder naar het oosten verlegd, waarbij de gevormde strandwallen dus verdwenen. Niet alle strandwallen (inclusief Oude Duinen) verdwenen, want ook de huidige duinen werden op strandwallen gevormd en in de binnenduinrand liggen dorpen op de strandwallen. De vorming van de Oude Duinen op de
strandwallen kwam tot stilstand vanaf de Romeinse Tijd.
Slechts in de kustzone werden in deze tijd nog duinen gevormd. De Oude Duinen raakten hierna begroeid met bossen.
Bewoning
Dat de strandwallen al snel als aantrekkelijk gebied voor bewoning werden gezien blijkt wel uit het feit, dat er veel oude vondsten gedaan zijn in het strandwallengebied. Bij de beschrijving van de binnenduinrand is aangegeven dat strandwallen in de huidige gemeente Bergen de oudst bekende vondsten uit de IJzertijd stammen.
Elders zijn ook sporen uit het Neolithicum bekend (3500-2500 voor Christus). In het gebied van de duinen (zie de overzichtskaart van deelgebieden figuur …) zijn in de gemeente Bergen archeologische vondsten gedaan. Op de Cultuurhistorische Waardenkaart van de provincie zijn deze vondsten niet weergegeven. Er staat slechts een vlak aangegeven in het dorp Egmond aan Zee. Deze is gebaseerd op de historische kaart van de provincie uit 1850 en duidt erop dat in de kern van het dorp archeologische vondsten verwacht worden. Deze vondsten zullen stammen uit de tijd na het ontstaan van Egmond aan Zee in de Middeleeuwen.
In de Archeologiebalans 2002 (De Archeologiebelans 2002 is in opdracht van voormalig Staatssecretaris Van der Ploeg opgesteld. Deze ‘0-meting’ wordt in de loop der tijd uitgebreid met nieuwe metingen om de effecten van het archeologische beleid te kunnen onderzoeken.) is een vergelijking gemaakt van de hoeveelheid archeologische kennis die beschikbaar is over verschillende perioden en gebieden in Nederland. Over het Hollandse Duingebied blijkt relatief weinig bekend te zijn. Belangrijkste reden hiervoor is de slechte toegankelijkheid van voornamelijk de oude landschappen door het overstuiven ervan met Jonge Duinen vanaf de Middeleeuwen. Er is dan ook vrij weinig archeologisch onderzoek in dit gebied gedaan.
De jonge duinen
De duinen van de Noord-Hollandse kust zijn in hun huidige vorm ontstaan tussen de 10e en de 19e eeuw. Kustafslag en versteiling van het kustprofiel waren hiervoor de eerste aanleiding. Er kwam hierdoor meer zand beschikbaar, waarmee de duinen gevormd konden worden. De kustafslag was niet voor alle delen van de Nederlandse kust even sterk. Zo bleef de kust tussen Zandvoort en Castricum vanaf 1600 tot heden stabiel.
In Egmond is de kust echter sinds de 17e eeuw zo’n 300 meter naar het oosten verlegd. Bij Den Helder is de kust zelfs ongeveer 1.500 meter naar het oosten verlegd. Zandverstuivingen maakten dat duinen werden opgestoven die plaatselijk (bij Schoorl) tot wel meer dan 50 meter hoogte reiken. Vanaf de 12e eeuw kregen de verstuivingen een grote omvang. De reden voor deze toegenomen verstuivingen is te vinden in een combinatie van een aantal factoren.
Welke hiervan de belangrijkste is geweest, is moeilijk aan te geven. Er was sprake van een verandering van het klimaat, stijging van de zeespiegel en sterke ontbossing en overbeweiding van de vrijgekomen (bos)gronden. In de gemeente Bergen zijn de duinen tussen Schoorl en Bergen het breedst, ongeveer 4 1/2 kilometer. Deze breedte hangt samen met de haakwallen, die hier haaks op de strandwallen liggen en landinwaarts liggen.
De verstuivingen moeten voor de mensen die in die tijd in of bij de kuststrook woonden een grote invloed hebben gehad. Mogelijk zijn nederzettingen en akkers verdwenen onder de opgestoven duinen. Er wordt bijvoorbeeld vermoed dat de nederzetting Oudburg, een van de nederzettingen die de oorsprong van het huidige dorp Bergen vormen, onder het zand verdwenen is. Tevens komt uit een onderzoek naar de economische draagkracht van de bevolking in Groet en Schoorl aan het einde van de vijftiende eeuw (de Enqueste) naar voren dat de armoede onder de bevolking zeer groot is en het aantal haardsteden afneemt onder andere als gevolg van het overstuiven van de akkers met duinzand.
De Jonge Duinen waren veel hoger dan de Oude Duinen. De laatst genoemde waren nog bruikbaar voor de landbouw, maar de Jonge Duinen konden daarvoor niet gebruikt worden. In de Middeleeuwen was er nog veel grond in (het huidige) Nederland dat niet duidelijk in bezit van iemand was. Alle niet duidelijk bij een dorp, landsheer of kerkelijke instelling behorende grond werd in die tijd als regaal recht gezien. De koning had met andere woorden aanspraak op deze gronden. In eerste instantie werd nauwelijks van dit recht gebruik gemaakt en weidden de bewoners het vee in de Jonge Duinen.
In de loop der tijd verdeelde de koning de gronden over de metgezellen die hem trouw ondersteunden. Vanaf de Late Middeleeuwen gebruikten de koning en de heren die de grond van hem in leen kregen de duinen vaker als jachtgebied. Er werd vooral op konijnen gejaagd, die daarvoor vanaf het midden van de veertiende eeuw doelbewust werden uitgezet. In de duinen bij Bergen maakte de heer Studler van Zurck, die vanaf 1641 heer van Bergen was, een einde aan de konijnenjacht die in die tijd door duinmeiers werd gedaan. De konijnen bleken de duinen aan te tasten en bij te dragen aan de verstuivingen. Vanaf de 16e of 17e eeuw werd ook begonnen met de beplanting van de duinen met helmgras en bomen.
Delfstoffen in de duinen
Schelpenwinning
Op het strand werden vanaf de Middeleeuwen tot in de twintigste eeuw schelpen gewonnen. Deze schelpen werden tot kalk gebrand dat een onderdeel vormde van de metselspecie. De‘schelpenvisserij’ was een lonend bedrijf. In Wimmenum was de ‘schelpenvisserij’ in de 16e eeuw zelfs de belangrijkste bron van inkomsten. Van de resten van de schelpenvisserij is in het gebied van de duinen en de kust hier en daar een verwijzing terug te vinden in de naamgeving. Zo lag ten noorden van de tramlijn naar Bergen aan Zee een laagte met de naam Schulpvlak.
De meeste resten van de schelpwinning zijn echter in de binnenduinrand en de polders terug te vinden. Aan de Hoevervaart is een terrein teruggevonden waar een kalkoven gestaan heeft. In de kalkoven werden de schelpen tot kalk verbrand.
De oven werd er in 1901 gebouwd en deed dienst tot 1940. In 1958 is de fabriek gesloopt. Bij de Roosloot, aan de rand van de duinen ligt een schulpakker. Hier vandaan werden de schelpen verscheept naar de kalkovens. Ook bij Wimmenum heeft een schulpstet gelegen, waarvan echter niet duidelijk is waar deze gelegen heeft. Vanuit de duinen liepen er schulpwegen naar de binnenduinrand en de polders, vanwaar de schelpen en de kalk verder met schepen werden vervoerd. Bij Egmond zijn de Oude en de Nieuwe Schulpweg nog herkenbaar.
Zandwinning
Vanaf de 16e eeuw werd uit de duinen zand gewonnen. Dit gebeurde op verschillende plaatsen. De meest bekende is wellicht het Hargergat, dat vanaf 1597 aan de schout en schepenen van Schoorl voor 30 gulden per jaar werd verpacht door de Staten van Holland. Hier werd zilverzand gewonnen, dat als metsel-, stop- en schuurzand diende en in glasblazerijen en zandsteenfabrieken werd gebruikt. Het zand uit Hargen was een geliefd goed en de pachtsommen namen dan ook in de loop der tijd explosief toe.
Hierdoor werden grote delen van de duinen bij Hargen afgegraven. In 1937 verdween nog de hele Hartjesnol voor het dempen van het Rokin in Amsterdam. Na 1945 nam het belang van de zandwinning hier af.
Ook achter De Franschman (Bergen), achter Duinvermaak (Bergen) en achter ‘De Oorsprong’ (Schoorl) werd zand gewonnen. Bij de Oorsprongweg werd in de binnenduinrand na 1870 zand afgegraven. Dit werd onder andere gebruikt voor de bouw van de forten van de Stelling van Amsterdam. Van de zandafgravingen van Hargen en bij de Oorsprongweg zijn de resten nog duidelijk terug te vinden.
Het zandtransport zal voornamelijk langs de bestaande wegen en vaarten hebben plaatsgevonden. Tussen 1875 en 1959 bestonden er echter ook zandsporen tussen de zandmennerijen bij Schoorl en de vaarten via welke het zand verder vervoerd werd. De tracés van deze zandsporen zijn soms in de vorm van wegen of fietspaden bewaard gebleven.
Waterwinning
Vanaf de 16e eeuw werd het water uit de duinen al gebruikt voor diverse nijverheidsfuncties, die in de binnenduinrand gevestigd waren. Ook in de 20e eeuw was het schone duinwater van belang. Papiermolens en wasserijen maakten niet langer gebruik van het water, maar in de duinen werd water gewonnen voor consumptie. De duinen hebben namelijk een voorraad zoet water die het zoute water uit de zee omlaag duwt, zodat het niet als kwelwater achter de duinen opkomt.
Doordat teveel water uit de duinen werd gewonnen, werd de voorraad zoet water te klein, waardoor achter de duinen wel zout water als kwel omhoog kwam. Sinds die tijd wordt oppervlaktewater uit bijvoorbeeld de Rijn en het IJsselmeer in de duinen gebracht om de zoetwatervoorraad op peil te houden en het water toch te kunnen winnen. Bij Bergen ligt een pompstation in de duinen, waar water wordt nagezuiverd en wordt opgenomen uit de duinen.
Bosbouw
In de 18e eeuw waren bij Wimmenum en Bergen hakhoutbosjes te vinden in de duinen. Deze werden door de bevolking gebruikt als brand- en bouwhout. In 1855 publiceerde dr. W.C.H. Staring zijn eerste artikel over het planten van dennen in de duinen en omstreeks 1863 kreeg zijn zoon, de geoloog dr. D.W. Staring, opdracht van Nederlandse overheid om te experimenteren met bebossing in de duinen. In eerste instantie werd geprobeerd de grove den te planten, maar deze experimenten hadden niet de gewenste uitwerking.
In 1893 werden nieuwe experimenten gedaan met de Corsicaanse en de Oostenrijkse den. Vanaf de eeuwwisseling was een groot deel van duinen met naaldhout beplant. Van Staring’s grove den zijn nog enkele kleine concentraties te vinden, de zogenaamde Staringbosjes. Hoogopgaand loofhout dat de oostelijke hellingen van jonge duinen bij Aagtdorp en Schoorl op markante wijze bedekt, is vanaf 1900 geplant ter vervanging van laag hakhout. Bij Egmond is slechts het zuidelijke gedeelte van de duinen bebost.
Sinds 1896 wordt een groot deel van de duinen beheert door Staatsbosbeheer. In 1908 werden door deze organisatie 2 dienstwoningen gebouwd in de boswachterij Schoorl, een opzichters- en een voerderswoning. Deze gebouwen zijn voorzien van een op neorenaissance geïnspireerde decoratie.
Bijzonder om te noemen is nog de boomkwekerij ‘Duinbosch’. De boomkwekerij werd gesticht door burgemeester A.J. Peeck om de armoede in Schoorl en Groot enigszins het hoofd te bieden. Tussen 1890 en 1930 had het bedrijf, dat een omvang had van ongeveer 20 hectare, internationale faam. De plaatsen waar de bomen werden gekweekt lagen verspreid over het grondgebied van Schoorl en Groet, onder andere in het terrein achter de kerk van Schoorl en in Groet aan de Herenweg en de Achterweg. Kwekerij Carpe Diem is een overblijfsel van het eens zo grote bedrijf.
Duinlandjes
Vanaf de 2e helft van de18e eeuw werden aardappels geteeld op kleine landjes in de duinen. Deze bleken goed te gedijen op de schrale duingrond. De hoge graanprijs was de aanleiding om de goedkopere aardappel als hoofdbestanddeel van het voedsel te gaan gebruiken. Er werden diverse pogingen ondernomen om het duingebied grootschalig te gebruiken voor landbouw, maar deze mislukten vrijwel altijd. In 1824 werd bijvoorbeeld een gebied van 700 hectare in de duinen tussen Heemskerk en Bakkum ontgonnen, wat niet het gewenste effect opleverde.
De inzet van Koning Willem I, die in 1829 1050 hectare duin kocht voor de landbouw, was evenmin vruchtbaar. Ondertussen waren particulieren ook overgegaan tot het ontginnen van duinlandjes. In de Rijnlandse duinen (bij Zandvoort en Bloemendaal) leidde dit tot grote zorgen bij het Hoogheemraadschap. De wijze van bewerken van de grond, waarbij de akkers na twee jaar braak kwamen te liggen om daarna te overgroeien om voldoende voedingsstoffen in de grond te laten terugkomen, leidden namelijk plaatselijk tot verstuivingen, waartegen men zich probeerde te weren door de aanplant van helmgras.
Ook in de huidige gemeente Bergen werden duinlandjes ontgonnen. De hoge opbrengst per hectare maakte namelijk dat het zelfs voor mensen met kleine akkertjes mogelijk was in het eigen onderhoud te voorzien. Weersomstandigheden waren minder van invloed op de aardappel, omdat deze aan het einde van de zomer werd geoogst. En doordat de duinaardappels minder vatbaar waren voor de aardappelziekte en de smaak goed was, was dit bovendien een geliefd product.
Halverwege de 19e eeuw, toen de aardappelteelt in de duinen een hoge vlucht nam, werd niet langer een systeem met het braakliggen van de grond gehanteerd. De landjes werden in deze tijd bemest met naast de gebruikelijke dierlijke mest ook zeewier en visafval.
Als de bovenlaag van de grond uitgeput was, werd deze van de akker gehaald en terzijde geschoven, waarmee de kenmerkende walletjes om de akkers ontstonden. Bij Egmond aan Zee ligt het grootste terrein in Nederland waar de duinlandjes nog te vinden zijn. Ze zijn nu veelal in gebruik als volktuinen.
3.3.2. Egmond aan Zee
Vissersdorp
Het ontstaan van Egmond aan Zee is direct verbonden met de abdij in Egmond-Binnen. Onder de abdij waren pachters werkzaam. Zij visten aanvankelijk op de binnenmeren die in open verbinding met de Noordzee stonden. Toen door dichtslibbing deze verbinding verviel liet de abdij aan de kust huizen voor de pachters bouwen om daar de visvangst – tegen afdracht van een tiende van de opbrengst – voort te zetten.
Gedurende de Middeleeuwen groeide het dorp gestaag en rond 1600 was duidelijk sprake van 3 min of meer parallel van west naar oost lopende straten, te weten de huidige Voorstraat, Noorderstraat en Zuiderstraat. De Voorstraat en de Zuiderstraat kwamen in het midden van het dorp bijeen op het Pompplein om vervolgens weer te splitsen. Deze straten werden door vele steegjes, achteromgangen en binnenplaatsen met elkaar verbonden. Het hele stratenpatroon en de nederzettingsstructuur werden bepaald door het omliggende duinterrein, waartussen het dorp als het ware ingekneld lag.
Egmond aan Zee had vanaf de 17e eeuw direct te maken met de gevolgen van de steeds stijgende zeespiegel en de stormen die aan de kust van geheel Holland schade veroorzaakten. Tot in de 18e eeuw vond voortdurend kustafslag plaats. Het dorp groeide dan ook steeds verder naar het oosten, terwijl het dorp aan de westzijde steeds verder afbrokkelde. De Oud-Katholieke Agneskerk verdween bijvoorbeeld in 1741 in zee.
Een echt bloeiende nederzetting is Egmond aan Zee dan ook niet geworden. Ook de aan de visserij gelieerde bedrijfstakken in Egmond aan Zee hadden nooit een echt bloeiend bestaan. Nettenboeterijen, visrokerijen en taanderijen bleven in het dorp bestaan, maar ook hierin had men last van de dreiging van de zee.
De Franse overheersing tussen 1795 en 1813 en de voor de Kop van Noord-Holland belangrijke inval van de Engelsen en Russen in 1799 brachten veel armoede en achteruitgang van de industrieën in onder andere Egmond aan Zee.
In de loop van de 19e eeuw werd er echter wel weer in het dorp gebouwd. Tussen 1833 en 1845 werden ten noorden en zuiden van het dorp op twee duintoppen vuurtorens, ontworpen door J. Valk, gebouwd ter vervanging van vuurbakens. De zuidelijke vuurtoren werd in 1915 gesloopt. De voet van de noordelijke toren werd tussen 1838 en 1840 van een basement voorzien en getransformeerd tot monument voor Jan van Speyck.
In de tussentijd heeft het dorp zich naar het noorden toe uitgebreid met nieuwbouwwijken. Een belangrijk bouwkundig object uit Egmond aan Zee, dat nog verwijst naar de geschiedenis van het dorp als vissersdorp is de Prins Hendrikstichting. In 1874 werd deze stichting gebouwd als tehuis voor oud-zeelieden.
Al snel werd het eerste gebouw vervangen door een groter gebouw. In 1937 kwam het huidige gebouw tot stand, ontworpen door architect C. Elffers. Het is een voorbeeld van de functionalistische bouw en kent in de hal diverse verwijzingen naar het zeevarende leven en de visserij. Op de eerste verdieping is een klein museum over de zeevaart ingericht.
Voor de eigen bevolking werd vanaf de 2e helft van de 19e eeuw tot ongeveer 1920 veel gebouwd. In die tijd werden de huizen aan de Emmastraat en de Julianastraat in het noorden en de Kerkstraat en de Wilhelminastraat in het oosten gebouwd. In het zuiden vormden de duinen een (nog) onoverkomelijke hindernis.
In de periode tussen 1920 en 1940 was er als gevolg van de crisis een achteruitgang in de bouwactiviteiten. Alleen tussen de Trompstraat en de Prins Hendrikstraat vond een substantiële uitbreiding van de bebouwing plaats. Dit was ook de periode waarin veel vissers naar zuiden trokken, naar IJmuiden. Egmond aan Zee is dan niet langer een vissersdorp.
Er zijn nog wel restanten te vinden van de visserij in de vorm van vissershuisjes. Deze huisjes hebben een rechthoekig grondplan en bestaan uit één bouwlaag met zadeldak. In de meeste gevallen is het meest karakteristieke element het ontbreken van een voordeur aan de straatzijde.
Badplaats
Heel voorzichtig begon halverwege de negentiende eeuw het strandtoerisme op te komen. In 1856 bezocht de eerste badgast Egmond aan Zee. In de 20e eeuw zette de ontwikkeling van het toerisme zich voort. Voor Egmond aan Zee bracht de opkomst van het toerisme de belangrijkste veranderingen. In eerste instantie was toerisme en recreatie alleen weggelegd voor de rijke bovenlaag van de bevolking. Zij lieten zomervilla’s bouwen in (onder andere) Egmond aan Zee met zicht op de zee.
De zeelucht en de zon zouden een heilzame werking hebben op lichaam en geest. Een uitspraak van Jac. P. Thijsse tijdens een algemene vergadering van de Nederlandse Heidemaatschappij in 1925 is voor deze overtuiging tekenend: ”Ons duinlandschap is een lustoord, dat den Nederlander kan geven tevredenheid, gezondheid en zielsverheffing.”
Voor de mensen die naar de kust kwamen, werden ook hotels, pensions en een Kurhaus gebouwd. De laatste lag aan de aangelegde boulevard langs het strand. De toeristen konden Egmond aan Zee onder andere bereiken met de stoomtram, dat in 1904 een station kreeg aan de oostzijde van het dorp aan de Voorstraat.
Vanwege de gezonde zeelucht werden ook stadskinderen, de zogenaamde bleekneusjes, naar de zee gehaald. In eerste instantie werden de kinderen ondergebracht in al bestaande huizen, maar vanaf 1907 werden speciale koloniehuizen gebouwd. De zeelucht en het zonlicht waren bepalend voor de opbouw van de koloniehuizen. Zo lagen de huizen aan de rand van het dorp en georiënteerd op het zuiden. De huizen hebben langwerpige plattegronden en brede voorgevels die ook met dit doel werden vormgegeven. Een ander kenmerk van deze huizen is de symmetrische opbouw en het samengestelde dak.
Tijdens de Tweede Wereldoorlog heeft Egmond aan Zee veel te lijden gehad van de Duitse bezetting. De bebouwing aan de zuid- en westzijde van het dorp werd grotendeels verwoest. Na de oorlog nam het toerisme naar Egmond aan Zee toe. Het dorp werd daarmee een toeristische badplaats. Aan de boulevard werden na de Tweede Wereldoorlog appartementengebouwen gebouwd, zoals de Kennedyboulevard en de Sterflat.
3.3.3. Bergen aan Zee
De aanloop naar een nieuwe dorp
De familie Van Reenen-Völter nam het initiatief om in de duinen van Bergen een nederzetting te stichten. De opkomst van het toerisme naar de kust in het begin van de 20e eeuw leidde tot het idee om een combinatie te maken van een agrarische nederzetting en een badplaats. De familie Van Reenen woonde op het Oude Hof en de duinen behoorden tot hun bezit.
Het echtpaar Jacob van Reenen en Marie Amalie Dorothea Völter stelden zich tot doel het arme dorp Bergen op een hoger plan te trekken. Zij zagen dit als een opdracht die voortvloeide uit de verplichtingen die Anthonis Studler van Zurck, toenmalig heer van Bergen, in de 17e eeuw op zich genomen had, namelijk het zoveel mogelijk helpen van de ingezetenen van Bergen en alles te doen wat tot het welzijn van de gemeente kon strekken.
Hoewel Bergen in de binnenduinrand lag, had het dorp tot die tijd nauwelijks binding met de zee. De eerste familiepensions verschenen in Bergen in 1901 en 1902. Om de zee te bereiken kon men in die tijd slechts een oude schulpweg gebruikten die niet meer was dan een zandpad.
De duinen waren in de 19e eeuw nog matig begroeid, hoewel al in de 17e eeuw was begonnen met beplantingen in de duinen. De vader van Jacob van Reenen, mr. J.J.H. van Reenen, had zich eveneens ingezet op het duinzand vast te leggen – ongeveer 1200 hectare. De eerste werkzaamheden om de nederzetting aan de zee te stichten was het beplanten van ongeveer 220 hectare stuifduin met helmgras om het vast te leggen.
Verbindingen, eerste bebouwing en stedenbouwkundige plannen
De volgende stap was het aanleggen van verbindingen tussen Bergen en de nederzetting aan de zee. Met het oog op een aan te leggen trambaan werd het duin zodanig beplant dat een brede geul oostwaarts werd uitgestoven, waar de trambaan doorheen kon worden aangelegd.
De trambaan heeft ook tussen 1909 en 1955 door deze geul gelopen. De geul is nog altijd zichtbaar. In 1905 maakte de landschapsarchitect L. Springer een ontwerp voor de Zeeweg die in 1906 gereed was.
Behalve voor het ontwerp van de weg zelf zorgde bij ook voor een mooie aankleding en afwisseling langs de weg door de aanplant van dennen- en loofhout. Voor de stenen die nodig waren voor de voetpaden werd door de heer Van Reenen in 1905 een mini-steenfabriekje opgezet achter de Franschman.
Vanuit dit fabriekje werden ook de stenen voor ‘Prins Maurits’ geleverd. Dit was het eerste gebouw dat in Bergen aan Zee en hoewel bedoeld als half boerderij en half herberg, alleen gebruikt als theeschenkerij. In 1909 was Prins Maurits een volledig horecabedrijf geworden. Het eerste woonhuis aan zee heette Ulysses en stond op de plaats van het huidige hotel Nassau Bergen. Het huis werd in het eerste decennium van de 20e eeuw gebouwd.
Het noordwestelijke deel van het dorp wordt ook wel ‘koloniehoek’ genoemd. Hier werden 3 kinderkoloniehuizen gebouwd voor de ‘bleekneusjes’. Als eerste werd in 1908 het forse wat sombere koloniehuis van het Burgerlijk Armbestuur Amsterdam gebouwd, gevolgd door Jong Nederland (aan rechterzijde) met gebogen kroonlijsten en een cirkelvormige solarium. Aan de linkerzijde werd het Zeehuis gebouwd van de Deutscher Hilfsverein, een laag gebouw met een grote met rode pannen gedekte kap.
De koloniehuizen lagen aan de rand van het dorp, wat zowel was ingegeven door het kuuraspect van de koloniehuizen als door de rust van de andere badgasten. Buiten de koloniehoek, hoog op Russenduin ligt het tot in wijde omtrek zichtbare “Bio-Vakantieoord”, dat als villa werd gebouwd. Vanaf de hoge toren had men hier een prachtig uitzicht over het hele dorp.
In 1907 kreeg de landschapsarchitect L.A. Springer de opdracht om een stedenbouwkundig ontwerp voor Bergen aan Zee te maken. Zijn plan verscheen onder de naam: ‘Ontwerp voor den aanleg van het villapark Bergen aan Zee te Bergen N.H.’ .
Hierin ontwierp hij een villapark gelegen rond een centrale strook grond ten noorden van de Zeeweg en rond het Parnassiapark. Deze centrale strook moest het centrum van het dorp worden, waarvoor de architect H.P.
Berlage opdracht kreeg om een plan te maken. Berlage ontwierp een compact centrum om een dorpskerk.
Het ontwerp van Springer voor de villaparken werd in verstrakte vorm uitgevoerd. Dit is nog altijd herkenbaar in de aanleg van het Engelse Park en het Parnassiapark. Het ontwerp van Berlage is nooit uitgevoerd, hoewel er plannen bestonden voor bebouwing naar zijn plan in de jaren na 1930.
Tot 1940 bestond het dorpscentrum uit het hotel Nassau-Bergen en enige villabebouwing tussen het Engelse Park en de boulevard. Tussen het hotel en het tramstation liep een gebogen straatwand, die nog altijd aanwezig is. De agrarische exploitatie van de duinen bleek niet succesvol te zijn en werd na 1925 geschrapt uit de boekhouding van de nederzetting. In 1939 werd het terrein gebruikt voor het “Taets van Amerongenkamp”, een onderkomen voor in Bergen aan Zee gelegerde Nederlandse militairen. Vanaf het einde van de jaren ‘50 tot het begin van de jaren ‘60 dreef Bob Boersma er een manege.
Daarna werd het terrein aan zijn lot overgelaten. De vlakte – op het eerste gezicht oninteressant en nutteloos – werd samen met aangrenzende Dennepark bestemd voor woningbouw.
De periode na 1940
Ondanks de ontwerpen van Berlage en Springer is er nu weinig planmatigs te ontdekken aan Bergen aan Zee. Tijdens de Tweede Wereldoorlog is het dorp dan ook grotendeels gesloopt voor de aanleg van de Neue Westwall of Atlantikwall, de Duitse kustverdediging die langs de gehele Westeuropese kustlijn liep.
Tevens verdween tijdens de oorlogsjaren vrijwel al het naaldhout in het Parnassiapark, rond het Vredeskerkje, tegen het Ulyssesduin en in het Engelsepark. Ondanks de sloop van de panden is het stratenpatroon voor een groot deel nog precies hetzelfde als voor de oorlog. Het huidige wegenpatroon is grofweg een strakgetrokken patroon van de zwierige opzet van Springer. Door het ontbreken van de sierlijke weloverwogen opzet van het plan van Springer, mist het huidige dorp de kwaliteiten van het oorspronkelijke plan. De situering van de beide parken is ook een overblijfsel uit het plan van Springer al is aan het Engelse Park nu niet meer te zien dat het ooit bebost was.
De invloed van Berlage is veel minder terug te vinden in Bergen aan Zee. Er staat nog een door hem ontworpen huisje aan de Kerkstraat, maar zijn stedenbouwkundige plannen hebben in veel mindere mate gestalte gekregen. Veel elementen die het dorp in eerste instantie samenhang gaven, zijn inmiddels verdwenen. De meeste bebouwing in het dorp dateert van na 1945.
- De duinen zijn altijd een woest en leeg gebied geweest. Dit karakter kan goed behouden worden. Dit behoud is goed te combineren met de natuurwaarde van de duinen.
- Aan de kust en in de duinen werden diverse delfstoffen gewonnen. De meeste van deze delfstoffen worden inmiddels op andere plaatsen of andere manieren gewonnen. Met toeristische routes in de duinen of langs het strand kan hieraan wellicht aandacht besteed worden.
- Egmond aan Zee is ontstaan als nederzetting van horigen of pachters van de abdij. Behalve in de naamgeving is van een relatie tussen Egmond aan Zee en Egmond-Binnen niet veel bewaard gebleven. Hieraan zou aandacht besteed kunnen worden.
- Delen van het oude Egmond aan Zee zijn in de loop der eeuwen in zee verdwenen. Hierop zou in de vormgeving van de boulevard en de bebouwing erlangs kunnen worden voortgeborduurd.
- Veel van de bebouwing van zowel Egmond aan Zee als Bergen aan Zee is tijdens de Tweede Wereldoorlog verwoest in verband met de aanleg van de Atlantikwall. De nieuwe bebouwing van na 1945 heeft in veel gevallen geen positieve bijdrage aan de dorpen geleverd.
- Toerisme heeft langs de kust veel veranderingen gebracht, zoals de bouw van hotels, pensions en appartementen. Soms hebben deze gebouwen een waardevolle bijdrage aan het dorp geleverd. In andere gevallen hebben deze gebouwen juist afbreuk gedaan aan het karakter van de dorpen. In een welstandsnota of beeldkwaliteitplan kan over de kwaliteit en de bebouwingskenmerken een nadere uitspraak gedaan worden. Aan de hand hiervan kunnen uitspraken worden gedaan over gewenste nieuwe ingrepen in Egmond aan Zee en Bergen aan Zee.
4. Algemene conclusies
Bergen is een gemeente met een rijke en zeer diverse geschiedenis. Deze is in het landschap op verschillende punten nog af te lezen. Tegelijkertijd zijn er delen van die geschiedenis die niet meer af te lezen zijn, of moeilijk terug te vinden zijn in het landschap. Bewust omgaan met de neerslag van de geschiedenis in het landschap, ofwel met de cultuurhistorische waarden, kan bijdragen aan een aantrekkelijke woon-, werk- en recreatie omgeving.
Aansluitend aan de historische beschrijvingen in hoofdstuk 3 is steeds een aantal aanbevelingen opgenomen. Deze aanbevelingen moeten worden gezien als voorzetten over het omgaan met de cultuurhistorie. Er zijn vele mogelijkheden om cultuurhistorische waarden een goede plaats in het gemeentelijk beleid te geven en in het landschap zelf tot uitdrukking te laten komen.
Belangrijk hierbij is dat bij het maken van nieuwe ruimtelijke plannen de cultuurhistorie wordt betrokken. Het kopiëren van de bevindingen uit deze beschrijving is daarbij niet voldoende. Bij het ontwerpen zal aan de medewerkers cultuurhistorische waarden medewerking moeten worden gevraagd. Zij zullen binnen de gemeente uitleg moeten geven en de makers van de bestemmingsplannen begeleiden om de cultuurhistorische waarden in de plannen mee te nemen.
In voorkomende gevallen is een nadere uitdieping van de in deze rapportage opgenomen beschrijvingen noodzakelijk om de cultuurhistorische waarden goed in de plannen mee te kunnen nemen. Vaak zal dan ook een nadere detaillering van de op de kaart ingetekende cultuurhistorische waarden kunnen worden gegeven. Historische verenigingen in de gemeente kunnen hierin een belangrijke bijdrage leveren.
Hoewel een basisbeschrijving is ontstaan, waarin veel cultuurhistorische zaken zijn opgenomen, zijn nog lacunes te ontdekken in de kennis over de geschiedenis van Bergen en de neerslag ervan in het landschap. Hieronder volgt een opsomming van zaken waar in de toekomst aandacht aan besteed kan worden.
- Op de cultuurhistorische waardenkaart die bij deze beschrijving hoort zijn diverse archeologische vindplaatsen aangegeven. Dit zijn terreinen waarop diverse archeologische vondsten zijn gedaan die met elkaar samenhangen. Het grootste deel van de op de kaart aangegeven vindplaatsen zijn overgenomen van de cultuurhistorische waardenkaart van de provincie Noord-Holland. Op deze kaart zijn slechts de vindplaatsen opgenomen die bij de Rijksdienst voor het Oudheidkundig Bodemonderzoek bekend zijn en door dat instituut zijn gewaardeerd. Hiermee is niet een dekkend overzicht van de archeologische waarden gegeven. Voor de archeologie geldt, dat de meeste vindplaatsen nog niet bekend zijn, alleen de min of meer toevallig ontdekte archeologische waarden zijn geregistreerd. Daar waar nooit gegraven is, is ook niets bekend.
- Op basis van een deskundig oordeel is vast te stellen waar meer en waar minder archeologische zaken te verwachten zijn. Overigens is hiervoor het hanteren van de Indicatieve Kaart Archeologische Waarden (IKAW) niet voldoende. Deze kaart is op nationale schaal vervaardigd en bevat diverse lacunes, die vooral voor de Noord-Hollandse situatie een sterk vertekend beeld opleveren. In archeologienota kan hier een nader onderzoek naar worden gedaan en kunnen beleidslijnen worden uitgezet. Met het oog op de wijziging van de Monumentenwet is het raadzaam een dergelijke nota te (laten) vervaardigen.
- In ARCHIS 2 (Dit is het bestand van de ROB met de bekende archeologische vondsten en vindplaatsen.) zijn ook de losse archeologische vondsten terug te vinden. Deze zijn vaak niet meer in de bodem aanwezig en zijn veel moeilijker te interpreteren. Wij hebben er daarom voor gekozen deze in dit overzicht op te nemen. Bij een nieuwe ontwikkeling in de ruimtelijke ordening van de gemeente waarbij de bodem geroerd wordt, kan deze informatie door deskundigen echter wel worden gebruikt voor het vaststellen van de archeologische verwachting binnen het plangebied.
- Zoals vaak het geval is, blijkt ook in de gemeente Bergen vooral veel bekend te zijn over de rijke bovenlaag van de bevolking. Over de “gewone” bevolking en de neerslag die hun activiteiten in het landschap hadden is vrij weinig bekend. Archeologische onderzoeken kunnen hier wellicht meer aan het licht brengen. Hierbij hebben we echter te maken met de vernietiging van de sporen op het moment dat opgravend onderzoek wordt verricht. Geadviseerd wordt dan ook om deze onderzoeken tot een minimum te beperken, maar bij grondroerende werkzaamheden wel een archeologisch onderzoek uit te voeren (te beginnen met een archeologisch bureauonderzoek).
Het is van belang dat bij nieuwe ingrepen in het landschap de archeologie een plaats krijgt in de planvorming. Door tijdig onderzoek te doen naar de mogelijke archeologische sporen in een gebied kunnen latere verrassingen tot een minimum worden beperkt. Bovendien kunnen eventuele vondsten een nieuw licht werpen op de ontwikkelingsgeschiedenis van Bergen en een input zijn voor de nieuwe ontwikkeling. Behalve archeologie dienen dan ook historische geografie en historische (steden)bouwkunde een plaats te krijgen in de planontwikkeling, zodat een samengesteld beeld van de ontwikkelingsgeschiedenis kan ontstaan. - Alleen de voormalige gemeente Egmond had een lijst van gemeentelijke monumenten. In de voormalige gemeente Schoorl is wel een overzicht gemaakt van de panden die eventueel voor plaatsing op een gemeentelijke monumentenlijst in aanmerking zouden komen, maar is het nooit tot het opstellen van een dergelijke lijst gekomen. In de voormalige gemeente Bergen is eveneens geen gemeentelijke monumentenlijst opgesteld. Het is raadzaam na te gaan hoe panden die op lokale schaal een bijdrage aan het verhaal van de geschiedenis leveren kunnen worden beschermd. Tevens zou daarbij aandacht geschonken kunnen worden aan de mogelijkheid om ook archeologische en historisch-geografische waarden op de lijst op te nemen.
- In deze rapportage is een visie gegeven op het grondgebied van de gemeente Bergen: “Bergen als lusthof”. Om een samenhangend ruimtelijk beleid in de gemeente te ontwikkelen, dat gericht is op kwaliteit en het behouden daarvan, zal de gemeente zelf een visie moeten ontwikkelen op de gemeente. De hier aangegeven metafoor kan daarvoor gebruikt worden, maar het moet vooral een visie zijn die door het gehele gemeentelijke apparaat wordt gedragen.
Bronnenlijst
- Atlas van historische topografische kaarten Noord-Holland (rond 1900). Landsmeer, 2003.
- Baas, H.G., P.P.D. Burm, W.A. Ligtendag en V. Vreugdenhil, Ontgonnen verleden. Inzoomen op de historisch-geografische ontwikkeling van het Nederlandse landschap. Hoorn/Wageningen, 2001
- Backer, A.M, E. Blok & C.S. Oldenburger-Ebbers (reds.), Gids voor de Nederlandse tuin- en landschapsarchitectuur. Deel West: Noord-Holland, Zuid-Holland. Rotterdam, 1998
- Barends, S. e.a., Het Nederlandse landschap. Een historisch-geografische benadering. Utrecht, 2000.
- Borger, G.J. en S. Bruines, Binnewaeters gewelt. 450 jaar boezembeheer in Hollands Noorderkwartier. Edam 1994
- Burger, A.C.M., Het kasteel van Egmond, een schets van de ontwikkeling van het Slot op den Hoef. Schoorl, 1988.
- Cock, J.K. de, Bijdrage tot de historische geografie van Kennemerland in de Middeleeuwen op fysisch-geografische grondslag. Groningen, 1965.
- Cordfunke, E.H.P., Opgravingen in Egmond. De abdij van Egmond in historisch-archeologisch perspectief. Zutphen, 1984.
- Danner, H.S., H.Th.M. Lambooij & C. Streefkerk, … die water keert. 800 jaar regionale dijkzorg in Hollands Noorderkwartier. Alkmaar/Edam, 1994
- Gemeente Egmond, Cultuurhistorisch inventarisatie project Egmond. Egmond, 1996.
- Goes, H. van der, Duinrellen in Noord-Kennemerland: van Noordzeekanaal tot Hondsbossche Zeering. Schoorl, 1986.
- Grote Historische Provincie Atlas Noord-Holland 1:25.000, 1849-1859. Groningen, 1992
- Grote Provincie Atlas Noord-Holland 1:25.000. Groningen, 1988
- Jellema, H. (red), Bergen aan Zee, badplaats sinds 1906. Schoorl, 1981.
- Lambooij, H.Th.M., Getekend Land. Nieuwe beelden van Hollands Noorderkwartier. Alkmaar, 1987
- Landzaat, L.F.M. en W.S. Janssen. Schoorl in architectuur. Schoorl, 1984
- Museum Kranenburgh, Bouwkunst in Bergen en Bergen aan Zee 1900 – 1940.
- Provincie Noord-Holland, Provinciale Planologische Dienst. De strandwal van Schoorl en Groet. Landschapsonderzoek Noord-Holland, deel Noord-Kennemerland (E13-011). Haarlem, 1986.
- Provincie Noord-Holland, Monumenten Inventarisatie Project Noord-Holland: Bergen. Haarlem, 1991.
- Provincie Noord-Holland, Monumenten Inventarisatie Project Noord-Holland: Egmond. Haarlem, 1991.
- Provincie Noord-Holland, Monumenten Inventarisatie Project Noord-Holland: Schoorl. Haarlem, 1991.
- Provincie Noord-Holland, De cultuurhistorie van Kennemerland. Cultuurhistorische Waardenkaart Noord-Holland. Haarlem, 2000.
- Rijksdienst voor de Monumentenzorg, Objectendatabank. Zeist, 2004.
- Rijksdienst voor het Oudheidkundig Bodemonderzoek, ARCHIS 2. Amersfoort, 2004.
- Westenberg, J. Kennemer dijkgeschiedenis. 1974.
- Zeiler, F.D., Hoog en vrij. Schetsen uit de geschiedenis van de heerlijkheid Bergen tot 1798. Schoorl, 1986.
Begrippenlijst
Archeologie stelt zich ten doel inzicht te verwerven in alle facetten van menselijke samenlevingen uit het verleden door middel van het systematisch opsporen en interpreteren van materiële overblijfselen die in of boven de grond bewaard zijn gebleven, het is een historische wetenschap.
Architectuurgeschiedenis richt zich op exterieur van bouwwerken, op bouwstijl en bouwtraditie met daarnaast aandacht voor de maatschappelijke context en de geschiedenis van de stedenbouw.
Bouwhistorie de bouw-, verbouwings- en gebruiksgeschiedenis van een bouwwerk of structuur; tevens de studie van het bouwen in het verleden.
Cultuurhistorie de ruimtelijke neerslag van de geschiedenis in het landschap, zowel onder als boven de grond en zowel in het landelijke als in het stedelijke gebied.
Cultuurhistorische waardenkaart op de cultuurhistorische waardenkaart van Noord-Holland zijn de tot nu toe bekende archeologische, historisch geografische en historisch (steden)bouwkundige elementen aangeduid. Deze kaart is geen beleidskaart maar signaleert en informeert en is bedoeld als bron van inspiratie in de ruimtelijke ontwikkeling.
Historische geografie bestudeert de wijze waarop het cultuurlandschap in de loop van de tijd is ontstaan en zich heeft ontwikkeld, via analyse van de hiervoor kenmerkende bestanddelen in hun ruimtelijke samenhang.
Historische (steden)bouwkunde valt uiteen in 2 delen: architectuurgeschiedenis en bouwhistorie.
Landschap alle ruimtelijke onderdelen van een gebied. Hiertoe behoren niet allen de landelijke gebieden, maar ook de stedelijke gebieden.