Verslag participatie dialoog 2 september 2026

Op 2 september 2026 vond de participatie dialoog plaats in de brandweerkazerne in Bergen. Lees hier het verslag.

Samenvatting

~ wantrouwen is snel gemaakt en traag hersteld ~ 

Deze dialoog, gevoerd in de brandweerkazerne in Bergen in het kader van de nieuwe participatieverordening, onderzoekt de vraag ‘Wil de gemeente wel participeren?’ aan de hand van de vooronderstellingen die in die vraag verscholen liggen. Al bij het stellen van de vraag valt op hoeveel wantrouwen erin zit: de verdenking dat een participatietraject vooral dient om te temperaturen wat er leeft, zodat het beleid net genoeg bijgesteld kan worden om door te kunnen gaan, en dat ‘bewoners gehoord’ niet meer dan een vinkje en dus alleen maar voor de bühne is.

Dat wantrouwen wordt in de dialoog noch bevestigd noch weggepoetst. Het blijkt te bestaan naast goede ervaringen, en het blijkt vooral gevoed te worden door incidenten: één slecht verlopen traject kleurt het beeld van het hele gemeentelijke apparaat (voornamelijk het college, maar ook de raad), terwijl er ook ambtenaren zijn die zich met hart en ziel voor inwoners en ondernemers inzetten. Beslissend is niet of iemand bewust wordt tegengewerkt, maar of iemand het gevoel heeft aan het lijntje gehouden te worden. En omdat wantrouwen zich snel vormt en zich pas heel langzaam laat ombuigen in vertrouwen, is de vraag hoe het ontstaat belangrijker dan de vraag wie gelijk heeft. 

Onder die 1e vooronderstelling komt een 2e tevoorschijn: bestaat participatie eigenlijk wel, en wat verwachten mensen ervan? Daar draait de dialoog om een scharnierpunt. Participeren is meedenken en meepraten, en dat is iets anders dan je zin krijgen; er kunnen argumenten zijn die zwaarder wegen dan de eigen mening. Wie ontevreden thuiskomt, is meestal niet ontevreden over het besluit maar over het uitblijven van een duidelijke onderbouwing ervan. Daarmee ontstaat een dubbele verantwoordelijkheid: de gemeente moet vooraf duidelijk maken wat participatie in dit geval inhoudt en achteraf uitleggen waarom een besluit zo is genomen - inclusief de tegenargumenten en waarom die niet zijn gevolgd - en de deelnemer moet met open oren binnenkomen in plaats van met een dichtgetimmerd oordeel, want wie zijn huiswerk té goed heeft gedaan, kan niet meer horen wat er gezegd wordt.

Filosofische vragen

In de openingsronde werden de volgende vragen ingebracht: 

  • Wat is de relatie tussen het college, de gemeenteraad en de inwoner van de gemeente? 
  • Is mijn teleurstelling legitiem als de gemeenteraad iets anders besluit dan wat ik vind? 
  • Wat kun je wel en niet zeggen als je weet dat buurt- of dorpsgenoten daar de dupe van kunnen zijn, door geld of door macht? 
  • Geeft financiële rijkdom macht in een gemeente? 
  • Heeft participatie nog wel zin als de kaders vooraf al onwrikbaar vaststaan? 
  • Waarom nog steeds de naam Bergen als verzamelnaam voor al deze mooie kernen, en niet een naam die beter aangeeft wat dit gebied is? 
  • Waaruit is participatie ontstaan: uit onvrede met de gemeente of met andere instanties? 
  • Wanneer kan participatie betekenisvol zijn voor de gemeente? 
  • Zijn eerlijkheid en respect belangrijke voorwaarden voor een goede participatie? 
  • Wil de gemeente wel participeren? 
  • Waarom zijn disputen tussen gemeente en bewoners zo snel juridisch? 
  • Wat is participatie? 
  • Hoe zou je ervoor kunnen zorgen dat ook de stem van degene die niet participeert gehoord wordt? 
  • Willen wij een gekozen burgemeester? 
  • Zijn wij bang om onze eigen identiteit als dorp te verliezen zodra het over schaalvergroting gaat? 
  • Hoe kunnen we de gemeente, dat wil zeggen raad en college, overhalen om optimale burgerparticipatie toe te passen? 
  • Wat is het effect van participatie op de kernen zelf? Iedere kern is anders; Schoorl is anders dan Bergen. 

De vraag ‘Wil de gemeente wel participeren?’ kreeg de meeste voorkeur. De vraagsteller loopt er al langer tegenaan: de gemeente wordt voorzien van informatie die van belang is voor de middenstand, de omgeving, het toerisme en de natuur, en gaat vervolgens toch mee met wat de provincie wil, uit vrees voor gelazer bij een volgend bouwplan. Wie kennis heeft opgebouwd over wat er staat te gebeuren, wordt er niet bij betrokken. Blijft er dan meer over dan het vinkje ‘bewoners gehoord’? Anderen sloten zich aan: veel mensen hebben de indruk dat ze eenvoudigweg niet gehoord worden, en in hele dorpen leeft de reactie "daar doen we niet aan mee, want ze luisteren toch nooit naar ons". De gemeente kan zeggen dat zij luistert, en tegelijk kunnen inwoners zich niet gehoord voelen. 

Ook andere vragen kregen bijval. De vraag hoe je de stem hoort van wie niet participeert, sprak aan omdat juist bij de minder mondige mensen belangrijke meningen leven die nooit boven tafel komen: ze zeggen dat er toch niet geluisterd wordt, of ze praten niet gemakkelijk en zouden naar zo'n avond niet toe komen. Diezelfde vraag heeft een keerzijde: bij bijvoorbeeld een verruiming van de horecasluitingstijden zijn er best veel mensen die het ermee eens zijn, maar die dienen niets in; een bezwaar is altijd een negatief bezwaar, nooit een positief. De vraag waarom disputen zo snel juridisch worden, trok aan omdat daarin misschien de verklaring schuilt waarom inbreng niet doorklinkt, en omdat zij het onderwerp concreet maakt. En de vraag naar het effect van participatie op de kernen werd ook andersom gedraaid: wat is de invloed van de kernen op de beslissingen van de gemeente, juist omdat de kernen zo van elkaar verschillen? 

Ten slotte klonk de vraag wat er in dit gesprek eigenlijk met ‘de gemeente’ wordt bedoeld: het college en de raad, of de ambtenaren aan de balie? Aan een participatieloket probeert iemand je te helpen, al dan niet juridisch, maar de stem van de wethouder daarachter blijft onhoorbaar. Het antwoord dat in de kring klonk was kort: de gemeente, dat zijn wij als dorpsgemeenschap. 

*De vraag die behandeld wordt is: Wil de gemeente wel participeren?*

Methoden

Gekozen werd voor het onderzoeken van de vooronderstellingen die in de vraag besloten liggen: wat moet er waar zijn om deze vraag überhaupt zinnig te maken? Daarnaast lagen drie casussen klaar, ingebracht door deelnemers, om het onderzoek concreet te maken wanneer het te abstract zou worden. Alle drie kwamen in de loop van de dialoog aan bod. 

De 1e casus betreft een online participatiemoment tijdens de coronaperiode. Deelnemers kregen de vraag voorgelegd of zij 2 jaar, 1 jaar of een paar maanden van tevoren gewaarschuwd wilden worden om van het gas af te gaan, en of dat per e-mail, via de krant of via een bijeenkomst moest. Alles was al geframed: er werd niet verder de discussie in gegaan, het was alleen nog de vraag hóé men het gepresenteerd wilde krijgen. De 2e casus gaat over een avond in De Blinkerd over de toekomst van Schoorl, waar allerlei ideeën werden geopperd. Bij het zoeken naar het verslag daarvan kwam per ongeluk het verslag van 5 jaar eerder boven water - met precies dezelfde onderwerpen. Er was in die 5 jaar niets veranderd. Een 3e deelnemer bracht als tegenwicht een ervaring met goede burgerparticipatie in een andere gemeente in, waarbij juridische procedures nauwelijks nodig bleken. 

Aan vooronderstellingen werden genoemd: 

  • Er is wantrouwen: er wordt niet vertrouwd dat het een oprecht doel van de gemeente is om met inwoners te participeren; het is voor de bühne. 
  • Er is een lage verwachting bij de burger, en misschien ook bij de gemeente. 
  • Er is te weinig informatie; de andere kant beschikt over meer.
  • De communicatie vanuit het bestuurlijke en het ambtelijke apparaat is niet altijd eerlijk en objectief.
  • De gemeente start een participatietraject om te temperaturen welke meningen er in een kern of over een onderwerp leven, zodat het beleid net genoeg kan worden aangepast om door te kunnen gaan.
  • Het is al beslist.
  • Er is zoiets als de gemeente.
  • Als het besluit anders uitvalt dan jij zou willen, is er niet goed geparticipeerd.
  • Er bestaat zoiets als participatie 

Achtereenvolgens werden onderzocht: er zit wantrouwen in de vraag en er is zoiets als participatie.

Dialoog

Het onderzoek begint bij de vooronderstelling die er het dikst bovenop ligt: er zit wantrouwen in de vraag. Het wantrouwen zit niet zozeer in de gemeente als in de vraagstelling zelf. Wie zo vraagt, gaat er kennelijk van uit dat de gemeente er zelf niet op zit te wachten, en dat de inwoner het slachtoffer is. 

Dat roept meteen verbazing op. Waarom die vooraf ingenomen negativiteit, waarom die duik in de slachtofferrol, waarom het recht opeisen om op de gemeente te hameren? Het is een diverse samenleving en een diverse gemeenteraad. Waarom niet uitgaan van het goede en afwachten wat er komt, in plaats van meteen op scherp te staan? 

Het antwoord is niet dat het wantrouwen onterecht zou zijn, maar dat beide houdingen mogen bestaan. Wie op grond van ervaring wantrouwig is, heeft daar alle recht toe, net zoals een ander het recht heeft om onbevangen te blijven kijken. Of de vooronderstelling waar is, moet nog blijken. 

Daartussen klinkt een 3e weg: neutraliteit. Je kunt ergens niet negatief naar kijken, en ook niet meteen positief; sta er neutraal in en kijk wat er op je afkomt. Wie zich ergens heel negatief in nestelt, draagt dat mee in zijn geest, in zijn lichaam en naar de mensen om zich heen. Daarop volgt een verscherping: negatief of positief zijn is überhaupt niet behulpzaam zolang je niet weet waar het over gaat. Belangrijker is te weten wat het speelveld is. Wat gebeurt er eigenlijk? De raadsleden verschillen onderling van mening, dus wat is er werkelijk gaande? En waar baseer je je oordeel dan op - is dat van tevoren al gevormd? 

Toch komt het wantrouwen ergens vandaan. Vrijwel iedereen in de kring heeft zich waarschijnlijk ooit voor iets binnen de gemeente aangemeld, voelt betrokkenheid en heeft raakvlakken met de gemeente. Juist daar ontstaat de ervaring dat men op veel gebieden aan het lijntje wordt gehouden en dat de medewerking vanuit het ambtelijk apparaat om verder te komen uitblijft. Dat gaat niet over persoonlijk benadeeld worden, maar over niet vooruitkomen. 

Daar staat een tegengeluid tegenover, ingebracht vanuit het werk binnen de gemeente: veel collega's zijn oprecht begaan met inwoners en ondernemers en doen erg hun best om er voor hen te zijn. De ervaring dat er wordt tegengewerkt wordt niet ontkend, maar het beeld dat collega's mensen bewust aan het lijntje houden, wordt niet herkend. Daarmee komt een onderscheid op tafel dat de hele avond meegaat: niet meewerken kan bewust of onbewust gebeuren, en voor het gevoel van de inwoner maakt dat weinig verschil, voor de beoordeling van de gemeente des te meer. 

Dat verbindt zich met de eerder gemaakte opmerking over bezwaren. Wie een uitgesproken mening heeft, komt opdagen en maakt bezwaar; wie tevreden is, blijft thuis. Zo sluipt in een groep als deze vanzelf de vooronderstelling binnen dat de gemeente niet wil participeren, terwijl de mensen die hun stem niet laten horen misschien hartstikke tevreden zijn. 

Op dat punt breekt de vraag door die onder alles ligt. Voordat gezegd kan worden of de gemeente wil participeren, moet duidelijk zijn wat participatie eigenlijk is, in het breedste perspectief. Is participeren dat de muur roze wordt omdat tien procent van de aanwezigen roze mooi vindt? Het onderzoek verschuift daarom naar de 2e vooronderstelling: er is zoiets als participatie. 

Bestaat die eigenlijk wel, en wat wordt ervan verwacht? De eerste toevoeging is meteen de doorvraag: er ís participatie, maar wat is de verwachting van de participanten? Wat verwacht iemand als hij meedoet? 

Daarop volgt een ervaring van geslaagde participatie met de gemeente. De gemeente participeert wel degelijk goed, maar op bepaalde punten; wie zo'n traject nooit heeft meegemaakt, wordt wantrouwig, en dat wantrouwen is ook bij wie het goede kent niet helemaal verdwenen. Mensen hebben hele slechte ervaringen met de gemeente, en tegelijk worden er goede dingen gedaan en wordt er aan verandering gewerkt. Uit een digitaal gevolgde commissievergadering over participatie kwam nog iets anders naar voren: de angst bij raadsleden. Kan dat wel, komt dat wel goed, hoe moeten we met die bewoners omgaan? Zij vinden het heel erg lastig - terwijl er inwoners zijn die er graag bij zouden gaan staan om te vertellen dat het allemaal kan. 

Daar sluit een relativering op aan: wantrouwen wordt vaak gevoed door incidenten. Wie veel met de gemeente en met ambtenaren te maken heeft, kan constateren dat het meestal goed gaat; het wantrouwen komt voort uit dat ene dossier waarin de gemeente heeft zitten rotzooien. Maar om één incident hoef je niet het hele gemeenteapparaat in de vuilnisbak te gooien; je moet het geheel proberen te zien. Misschien moeten de positieve dingen ook meer gepubliceerd worden. In de pers is nieuws immers pas nieuws als het slecht nieuws is, en de sociale media maken het lastig daar verandering in te brengen. 

Tegen dat optimisme in komt de casus van Schoorl op tafel: een avond in De Blinkerd waar iedereen zijn mening mocht geven over de toekomst van het dorp, gevolgd door een verslag dat, op vijf jaar na, woordelijk hetzelfde was als het vorige. Er werd een adviesbureau ingeschakeld en er gebeurde helemaal niets. Wat is participeren dan, hoe belangrijk is het, en bestaat participatie dan wel? 

Het antwoord dat de dialoog kantelt luidt: participatie is meedenken en meepraten. Dat wil niet zeggen dat alles wat je zegt onverkort moet worden overgenomen - dat wil je natuurlijk graag, anders had je die inbreng niet geleverd - maar er kan anders besloten worden omdat er andere argumenten zijn die zwaarder wegen en die in de besluitvorming belangrijker zijn dan de eigen mening. 

Daarmee ligt er een onderscheid: er is een verschil tussen het proces waarin meningen gehoord worden en de mate waarin een mening doorklinkt in het uiteindelijke besluit. Dat leidt tot een scherpe vraag: kun je tevreden zijn met een proces waarin je hebt kunnen zeggen wat je vindt, maar waarin je je zin niet hebt gekregen? En is dat dan nog steeds participatie? 

Het vermoeden dat volgt is dat de ontevredenheid niet zit in het andere besluit, maar in het gebrek aan uitleg: je bent onvoldoende geïnformeerd over de reden waarom die andere keuze is gemaakt. Wie weet hoe het zit, kan het makkelijker accepteren. Maar dat gebeurt te weinig. 

Daar komt onmiddellijk de spiegel bij. Veel mensen gaan naar een participatieavond met de veronderstelling: ik heb erover nagedacht, ik heb mijn informatie bij elkaar, ik ga even vertellen hoe het moet. Precies die vooringenomenheid vertroebelt het oordeel waarmee je de zaal binnenkomt, en zorgt ervoor dat je niet tevreden - misschien wel boos - naar huis gaat: ze hebben niet geluisterd. Maar goede uitleg is niet genoeg; je moet je ogen en oren ook open hebben om informatie tot je te willen nemen. Wie zijn huiswerk naar eigen idee grondig heeft gedaan, kan in de valkuil belanden dat hij alleen zijn eigen mening nog belangrijk vindt en niet meer goed kan luisteren. En dan gaat het mis. 

Wat er zo op tafel ligt, laat zich samenvatten als een dubbele verantwoordelijkheid. Meedoen betekent niet dat je je zin krijgt; het kan zijn dat de gemeente anders beslist en dat bovendien niet uitlegt. Het niet uitleggen is een fout van de gemeente, maar het niet kunnen horen van wat er wél wordt uitgelegd is een probleem van de deelnemer. Je moet niet alleen boos worden dat mensen niet naar je luisteren, je moet ook zelf leren luisteren. 

Wat er dan bij een volgend traject absoluut moet gebeuren, laat zich in 2 bewegingen zeggen. Vooraf moet de gemeente duidelijk zeggen wat participatie in dit geval inhoudt, en achteraf, na het besluit, moet zij uitleggen waarom dat besluit zo genomen is. Dan heeft ieder die geparticipeerd heeft in ieder geval het gevoel dat er geluisterd is. Heel veel mensen vinden het namelijk helemaal niet erg dat er iets anders wordt besloten - als het maar niet blijft bij "we gaan het toch zo doen", maar onderbouwd wordt. Een kleine, korte onderbouwing na een besluit zou voor heel veel burgers al helpen. 

De voorlopige conclusie van de avond keert daarmee de vraag om waarmee zij begon. Het gesprek startte bij ‘de gemeente is niet te vertrouwen’, en eindigt bij de vaststelling dat er naast het uitleggen door de gemeente ook een verantwoordelijkheid bij de bewoner ligt: in het luisteren, en in het zich werkelijk laten horen. En daar blijft een spanning liggen die niet is opgelost: als er zoveel wantrouwen is, wat is dan het belang van participatie - moet het een niet eerst worden opgelost voordat het ander mogelijk is?

Reflecties op participatie

In het afsluitende rondje kwamen enkele gedachten naar voren die het onderzoek verder brengen. 

Als rode lijn werd gehoord: veel kritische en soms negatieve ervaringen, enkele goede, en daarnaast steeds de relativering dat je ook van het goede kunt uitgaan, dat je goed moet luisteren en dat je niet altijd je zin kunt krijgen. Wie zich tot op het naadje heeft voorbereid en dan een ander besluit krijgt, moet dat kunnen incasseren - maar alleen als er een goede uitleg is. Zonder die uitleg houdt het op. 

Daaruit volgden concrete wensen. Geef vooraf goede kaders: is dit meebeslissen of meedenken, wat wordt er verwacht en wat kan iemand die meedoet verwachten? Dat neemt veel ergernis weg. Communiceer achteraf goed, en neem daarin ook de tegenargumenten mee die zijn ingebracht en waarom die niet gevolgd zijn. Verwachtingsmanagement werd meermaals genoemd als de kern van de zaak. En 1 praktische suggestie: laat bij een participatiegesprek met de gemeente iemand meelopen die af en toe samenvat wat de een en de ander gezegd heeft, voordat het gesprek verdergaat; dat werd in een eerdere bijeenkomst gemist. 

Ondanks de negatieve toon werd het geheel als positief gezien: al deze mensen zitten hier wél, om inbreng te leveren in iets nieuws dat gaat komen. Over luisteren zelf kwam nog een laag bij. Horen en luisteren zijn niet hetzelfde: ieder mens heeft een filter en hoort vooral wat past bij wat hij al dacht - wat bevestigt, en wat niet bevestigt. Dat filter uitschakelen in een open gesprek is een lastige oefening, en zeker wanneer de emoties oplopen omdat het over je eigen dorp of je eigen onderneming gaat, wordt echt horen veel moeilijker. Uit een heel andere hoek kwam daar bevestiging voor: 48 jaar politiewerk en een cursus verhoortechniek leren precies hetzelfde. Luisteren, luisteren, luisteren; wat zegt de verdachte, wat zegt de getuige, wat zegt de aangever? Niet je eigen mening ("het zal wel zo gebeurd zijn"), maar doorvragen, tot je het verhaal krijgt van wat die persoon werkelijk heeft meegemaakt. 

Meerdere deelnemers benoemden hoe waardevol het is de meningen van inwoners uit de andere kernen in hun geheel te horen; normaal kijk je vooral vanuit je eigen kern naar je eigen visie. Bij de huisvestingsverordening was iedere kern vertegenwoordigd en zijn er werkelijk dingen meegenomen — niet alles, maar er is geluisterd. Bij andere onderwerpen was daar totaal geen sprake van. De meningen van anderen leveren gezichtspunten op waar je zelf niet op was gekomen, ook als ze je eigen mening niet worden. 

Over het wantrouwen werd nog 1 ding vastgesteld dat blijft staan: het wordt heel snel veroorzaakt, maar het duurt heel lang voordat vertrouwen is teruggewonnen. Dat is belangrijk om over na te denken. 

Ten slotte werd een lopend traject ingebracht dat al deze vragen samenbalt. De dorpsvisie voor Egmond-Binnen dateert uit 2016 en loopt tot 2026; er komt een nieuwe, waarbij de inwoners bij alle onderwerpen betrokken worden en teruggekeken wordt op wat er van de vorige visie terecht is gekomen. Nu al is duidelijk dat daar ideeën in zullen staan waarvan verwacht wordt dat de gemeenteraad ze niet zal overnemen: de raad gaat immers over de hele gemeente Bergen en niet over één dorp, en er moet ook een geldpotje zijn. Dat is precies de vraag naar de invloed van de kernen op de beslissingen van de gemeente. En het is al een worsteling om inwoners zover te krijgen dat ze meedenken — mede omdat zij dat idee alvast hebben. 

Vanuit de gemeente kwam het slotwoord dat op hetzelfde neerkomt: vooraf duidelijk maken wat de kaders zijn en op welk niveau de participatie plaatsvindt - mee weten, meedenken, meebeslissen - en vooral terugkoppelen wat er met de inbreng is gedaan. Dat besef is er, het wordt intern telkens herhaald; het is een groeiproces.

Reflectie op de avond zelf

Aan het eind van de avond kwam ook de opzet van de bijeenkomst zelf ter sprake. Die reflectie was deels waarderend - de gesprekstechniek werd verrassend en waardevol genoemd, en meerdere deelnemers merkten hoeveel moeite het kostte de eigen mond te houden - maar zij herhaalde vooral, op kleine schaal, precies het onderwerp van de dialoog. 

De scherpste opmerking betrof de tijdsverdeling. De inleiding op de socratische werkwijze werd interessant gevonden, maar duurde bijna een uur; afgezet tegen wat de deelnemers zelf naar voren hebben kunnen brengen, was dat te veel, en het advies luidde het een volgende keer compacter te doen. De vergelijking werd meteen doorgetrokken: precies dit is wat mensen van de gemeente vinden - we krijgen heel veel informatie, maar wij komen niet aan de beurt om iets te vertellen. De avond die het wantrouwen jegens de gemeente onderzocht, riep daarmee hetzelfde gevoel op als waarover zij ging. Een andere deelnemer was het daar deels mee eens: de introductie was lang, en tegelijk had juist die vorm geleerd om eerst te luisteren, dan na te denken en pas daarna iets te zeggen. 

Van de kant van de begeleiding kwam daar een verklaring bij die op haar beurt aansluit bij de dubbele verantwoordelijkheid die in de dialoog was vastgesteld. De methode is streng, en met opzet: bij dit soort processen nemen deelnemers vaak veel ruimte voor een anekdote of een mening, waardoor er weinig ruimte overblijft om samen te verdiepen. Omdat die manier van spreken ongewoon is - in de Nederlandse cultuur nemen we graag de ruimte en praten we graag - is een lange introductie nodig om een groep in een andere staat te brengen. Wat als tijdverlies werd ervaren, is zo bezien de prijs van de discipline die het luisteren mogelijk maakt. Dat de tijd knelde had ook een praktische oorzaak: verschillende deelnemers moesten vóór half 10 weg, waardoor een deel van de opbrengst eerder moest worden opgehaald dan de opbouw van het gesprek vroeg. 

Ook de verwachtingen over de inhoud liepen uiteen: er was gerekend op een gesprek over concrete zaken. Het antwoord daarop - casuïstiek wordt gebruikt om dingen concreet te maken, maar een avond als deze is er niet om ieders eigen verhaal of anekdote op te lossen - is inhoudelijk hetzelfde als wat de dialoog van de gemeente vroeg: zeg vooraf wat deelname in dit geval inhoudt, dan weet wie meedoet wat hij kan verwachten. Dat ook hier vooraf niet voor iedereen duidelijk was wat de avond zou zijn, laat zien hoe hardnekkig dat punt is. 

Dezelfde spiegeling deed zich voor bij de vraag wat er met de opbrengst gebeurt: er wordt een verslag geschreven dat naar de gemeente gaat, maar wat is dan het advies - het wantrouwen weghalen? Het antwoord was dat het doel van de avond is de wijsheid op te halen van mensen die participatie belangrijk vinden. Daarop volgde de procedure: het verslag gaat eerst ter goedkeuring naar de deelnemers, die ongeveer een week krijgen om te reageren, en gaat daarna naar de gemeente ten behoeve van de nieuwe participatieverordening. Daarmee wordt op de avond zelf gedaan wat er in de dialoog van de gemeente gevraagd werd: vooraf zeggen wat het kader is, achteraf terugkoppelen wat er met de inbreng is gedaan. Niet alle ingebrachte vragen konden worden behandeld; toegezegd werd dat er een vervolg komt, ook in de andere BUCH-gemeenten. 

Tot slot raakte de reflectie aan de casus van Schoorl, waar het inschakelen van een adviesbureau tot niets had geleid. Daarop werd verduidelijkt dat het Socratisch Gilde geen adviesbureau is en dat dit werk op vrijwillige basis gebeurt. Als voorbeeld werd de eigen praktijk in Castricum genoemd: ongeveer een jaar geleden begonnen om eens in de twee weken op vrijdagochtend op deze manier een gesprek te voeren met inwoners die zonder aanmelding kunnen binnenlopen, over vragen als wat een Castricummer is en wat goed leven in Castricum betekent. Die gesprekken zijn samengevat en als bundel aangeboden aan de nieuwe gemeenteraad en het nieuwe college, als de wijsheid van de inwoners. Bergen werd hetzelfde gegund, met de aantekening dat de inwoners dat dan wel zelf moeten organiseren - waarmee de verantwoordelijkheid die in de dialoog bij de deelnemer werd gelegd, ook voor het vervolg geldt.

Over de dialoog & 't Socratisch Gilde Castricum

Deze avond werd verzorgd door 't Socratisch Gilde Castricum, dat de BUCH-gemeenten heeft aangeboden zijn kennis en ervaring met hen te delen, en werd ondersteund door Socratisch Gilde Amsterdam. Het gaat om vrijwilligerswerk; voor de uitvoering is een klein budget beschikbaar gesteld door de gemeente Amsterdam. De opbrengst van deze dialoog wordt gebruikt voor de nieuwe participatieverordening. De Socratische Gildes werken aan innovatieve democratie en verzorgen dialogen, trainingen en bijeenkomsten. 

Meer informatie over het Socratisch Gilde Castricum is te vinden op Dialoog weet raad(Verwijst naar een externe website).

Over Innovatieve Democratie

Innovatieve democratie is een filosofie en een methode. Het wordt toegepast op maatschappelijke vraagstukken waar vernieuwing van denken en doen wenselijk is en voor menselijk begrip in groepen. Met de methode analyseren we het narratief waarin we leven en hoe en waarom we deze internaliseren en blijven voortzetten, zelfs als de verhalen waarbij we leven blokkerend zijn voor een goed menselijk bestaan.

 Innovatieve democratie creëert bewustwording van overtuigingen over onszelf, onze cultuur en leert ons echt te luisteren. Hierdoor kunnen we fundamenteel anders denken over onszelf en uitdagingen waar we voor staan, zoals de vraag of de gemeente werkelijk wil participeren en wat participatie tussen inwoners en gemeente vraagt. 

Meer informatie op Open Research(Verwijst naar een externe website).